4.2Bij de beoordeling van de klachten moet worden vooropgesteld dat de hiervoor in 2.5.1 vermelde feiten geen andere conclusie toelaten dan dat belanghebbende voor zichzelf hoger beroep heeft ingesteld en niet namens de ex-echtgenoot. Het Hof kon de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep daarom niet baseren op de omstandigheid dat belanghebbende geen machtiging voor de procedure in hoger beroep heeft overgelegd. In zoverre slagen de klachten.
4.3.1Voor zover de klachten inhouden dat het Hof de niet-ontvankelijkverklaring niet had mogen baseren op de omstandigheid dat belanghebbende heeft nagelaten zelf – op eigen naam – bezwaar tegen de aanslag te maken, heeft het volgende te gelden.
4.3.2Op grond van artikel 26a, lid 2, AWR kan het beroep in belastingzaken mede worden ingesteld door degene van wie inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van de belasting waarop de belastingaanslag of de voor bezwaar vatbare beschikking betrekking heeft. In artikel 7:1, lid 1, Awb is, voor zover hier van belang, bepaald dat eerst bezwaar moet worden gemaakt voordat beroep kan worden ingesteld. Op grond van deze bepalingen was belanghebbende bevoegd om bezwaar te maken en vervolgens beroep in te stellen met betrekking tot de aan de ex-echtgenoot voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de IB/PVV. Daarin zijn namelijk uitgaven van belanghebbende voor specifieke zorgkosten als persoonsgebonden aftrek begrepen, en naar haar mening hadden die uitgaven daarin voor een groter bedrag moeten worden begrepen.
4.3.3Artikel 6:13 Awb houdt in, voor zover hier van belang, dat geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door de belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Afgezien van gevallen waarin zo’n verwijt niet valt te maken, brengt deze bepaling mee dat het recht om beroep in te stellen tegen een uitspraak op bezwaar alleen toekomt aan de belanghebbende op wiens naam in die zaak bezwaar is gemaakt.
4.3.4Op grond van artikel 27h, lid 1, AWR kan hoger beroep tegen de uitspraak van een rechtbank worden ingesteld door de belanghebbende die bevoegd was beroep bij de rechtbank in te stellen. Dat brengt, gelet op wat hiervoor in 4.3.2 en 4.3.3 is overwogen, mee dat belanghebbende op eigen naam hoger beroep kon instellen tegen de uitspraak van de Rechtbank, tenzij kan worden vastgesteld dat haar redelijkerwijs valt te verwijten dat zij niet op eigen naam bezwaar heeft gemaakt. Slechts in dat laatste geval zou zij immers niet bevoegd zijn geweest op eigen naam beroep in te stellen.
4.3.5Het Hof heeft dit met zijn hiervoor in 3.2 weergegeven oordelen miskend. Ook in zoverre slagen de klachten.
4.3.6Opmerking verdient nog dat artikel 6:13 Awb op grond van artikel 6:24 Awb van overeenkomstige toepassing is in hoger beroep. Die overeenkomstige toepassing houdt in dat tegen een door de rechtbank gedane uitspraak op het beroep dat op naam van een ander is ingesteld, geen hoger beroep kan worden ingesteld door de belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij in die zaak geen beroep – op eigen naam – heeft ingesteld tegen de uitspraak op een op zijn naam dan wel op naam van een ander gemaakt bezwaar.Deze regeling staat in dit geval niet in de weg aan de ontvankelijkheid van het hoger beroep, aangezien belanghebbende het hoger beroep op eigen naam heeft ingesteld (zie hiervoor in 4.2), en gelet op de hiervoor in 2.4.1 vermelde feiten geen andere slotsom mogelijk is dan dat zij ook het beroep op eigen naam heeft ingesteld. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat het door haar ingestelde hoger beroep niet is gericht tegen een uitspraak van de Rechtbank die is gedaan op het beroep dat is ingesteld op naam van een ander.
4.4.1Gelet op wat hiervoor in 4.2 en 4.3.5 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof op het verzet niet in stand blijven
.De Hoge Raad kan het verzet afdoen. Het verzet dient gegrond te worden verklaard. Het Hof zal de ontvankelijkheid van het hoger beroep opnieuw, met inachtneming van dit arrest, moeten beoordelen. Het zal daartoe op basis van artikel 27h, lid 1, AWR in samenhang gelezen met artikel 26a, lid 2, AWR en artikel 6:13 Awb moeten onderzoeken of aan belanghebbende redelijkerwijs kan worden verweten dat zij tegen de aan haar ex-echtgenoot opgelegde aanslag niet op eigen naam bezwaar heeft gemaakt.
4.4.2Bij beantwoording van de vraag of de in artikel 6:13 Awb bedoelde verwijtbaarheid aanwezig is, komt het erop aan of van de betrokkene onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om – in dit geval: ook op eigen naam – het desbetreffende rechtsmiddel aan te wenden.Anders dan waarvan de parlementaire toelichtinguitgaat, is hierbij niet van beslissend belang of de positie van de betrokkene door de bestreden uitspraak is verslechterd. Ook indien zo’n verslechtering zich niet voordoet, bestaat de mogelijkheid – afhankelijk van de overige omstandigheden van het geval – dat artikel 6:13 Awb niet aan het aanwenden van een rechtsmiddel in de weg staat.
4.4.3Tot slot verdient opmerking dat de rechter, indien hij tot de conclusie komt dat zich een situatie als bedoeld in artikel 6:13 Awb voordoet, in zijn uitspraak moet motiveren op grond van welke feiten en omstandigheden hij van oordeel is dat de betrokkene in dit opzicht redelijkerwijs een verwijt kan worden gemaakt.