Belanghebbende kreeg zes naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Den Haag. Tegen de uitspraken op bezwaar werd te laat beroep ingesteld, waarna de rechtbank deze beroepen niet-ontvankelijk verklaarde vanwege overschrijding van de beroepstermijn. Belanghebbende voerde aan dat zij door ernstige bedreigingen en bedreigende situaties met haar gezin niet tijdig in staat was het beroep in te dienen.
De rechtbank erkende de moeilijke persoonlijke omstandigheden maar oordeelde dat dit geen geldige reden was voor de termijnoverschrijding, mede omdat belanghebbende iemand had kunnen inschakelen om haar te helpen. Het verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring werd ongegrond verklaard.
De Hoge Raad stelt dat de rechtbank een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door te veronderstellen dat belanghebbende in redelijkheid iemand had kunnen inschakelen of een pro-forma beroepschrift had kunnen indienen. De Hoge Raad benadrukt dat bij de beoordeling van verschoonbaarheid moet worden gekeken naar de persoonlijke omstandigheden en wat redelijkerwijs van de belanghebbende kon worden verlangd.
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het verzet gegrond. De rechtbank moet de ontvankelijkheid van de beroepen opnieuw beoordelen met inachtneming van de juiste maatstaven. Tevens wordt het griffierecht vergoed aan belanghebbende.