Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid
3.Beslissing
21 november 2025.
Hoge Raad
In deze zaak heeft verzoekster cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam. De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken van de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam voor het geding in feitelijke instanties.
De Hoge Raad beoordeelt de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en constateert dat de procesinleiding niet is ingediend langs elektronische weg, zoals vereist in artikel 397 lid 1 Rv Pro. Tevens is de procesinleiding niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals vereist in artikel 426a lid 1 Rv. Verzoekster had de mogelijkheid om deze verzuimen binnen twee weken te herstellen door een juiste procesinleiding opnieuw in te dienen, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
De omstandigheid dat verzoekster geen advocaat bij de Hoge Raad kon vinden om de procesinleiding te ondertekenen, leidt niet tot een andere beoordeling. De Hoge Raad verklaart verzoekster daarom niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep en wijst het beroep af.
Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-naleving van procesinleidingsvereisten.