Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.De conclusie van de advocaat-generaal
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
9 april 2024.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 9 april 2024 uitspraak gedaan in een aanvraag tot herziening van een arrest van het gerechtshof Amsterdam uit 2020, waarin de aanvrager was veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van 128 hennepplanten in een gehuurde woning. De aanvraag tot herziening betrof een nieuw gegeven, namelijk een getuigenverklaring van de partner van de aanvrager, die tijdens de oorspronkelijke strafzaak niet bekend was bij het hof.
De advocaat-generaal concludeerde dat het nieuwe gegeven een ernstig vermoeden wekt dat de aanvrager vrijgesproken zou zijn indien het hof destijds met deze verklaring bekend was geweest. De Hoge Raad volgde dit standpunt en verklaarde de aanvraag tot herziening gegrond. Tevens beval de Hoge Raad, voor zover nodig, de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het oorspronkelijke arrest.
De zaak is vervolgens verwezen naar het gerechtshof Den Haag voor een hernieuwde berechting en afdoening. De Hoge Raad baseerde zijn oordeel op artikel 457 lid 1 onder Pro c van het Wetboek van Strafvordering, dat herziening mogelijk maakt bij nieuwe feiten of omstandigheden die tot vrijspraak of een minder zware straf kunnen leiden.
Het arrest is gewezen door vice-president V. van den Brink als voorzitter, met raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond en verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag voor hernieuwde berechting.