ECLI:NL:HR:2024:397

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 maart 2024
Publicatiedatum
14 maart 2024
Zaaknummer
22/03463
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 lid 2 Wet WOZArt. 7:4 lid 4 AwbArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over proceskosten en griffierecht bij WOZ-zaak gemeente Stede Broec

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam inzake de vaststelling van de WOZ-waarde van zijn woning te Stede Broec voor het jaar 2020. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €209.000 per 1 januari 2019. In de bezwaarfase verzocht belanghebbende om aanvullende gegevens zoals de grondstaffel en taxatiekaart, die ter inzage werden gelegd maar niet werden toegestuurd.

Het geschil betrof onder meer of de heffingsambtenaar zijn verplichtingen had nageleefd op grond van artikel 7:4 Awb Pro en artikel 40, lid 2, Wet WOZ. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar aan zijn verplichtingen had voldaan door het toezenden van het taxatieverslag en het ter inzage leggen van stukken. De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel ten aanzien van het toezenden van het taxatieverslag onjuist is en vernietigt de uitspraak voor zover het de proceskosten en griffierecht betreft.

De Hoge Raad bevestigt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld en dat het beroep in cassatie alleen slaagt voor de proceskosten en griffierecht. Het college van burgemeester en wethouders en de heffingsambtenaar worden veroordeeld tot vergoeding van de griffierechten en proceskosten aan belanghebbende. De overige klachten leiden niet tot vernietiging van het hofarrest.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard en het hofarrest vernietigd voor zover het de proceskosten en het griffierecht betreft.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/03463
Datum15 maart 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 9 augustus 2022, nr. 21/01826 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 20/5639) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Stede Broec voor het jaar 2020.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
De heffingsambtenaar van de gemeente Stede Broec (hierna: de heffingsambtenaar) heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [a-straat 1] te [Z] (hierna: de woning) per waardepeildatum 1 januari 2019 voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 209.000.
2.2
In de bezwaarfase heeft belanghebbende verzocht om verstrekking van de grondstaffel en de taxatiekaart met de zogenoemde KOUDV- en liggingsfactoren. Deze gegevens zijn in de bezwaarfase door de heffingsambtenaar ter inzage gelegd, maar niet aan belanghebbende toegestuurd.
2.3
Belanghebbende heeft in de bezwaarfase geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om voorafgaand aan de hoorzitting inzage te nemen in het dossier.

3.Procedure voor het Hof

3.1
Voor het Hof was in geschil of de waarde van de woning op een te hoog bedrag is vastgesteld. Ook was in geschil of de heffingsambtenaar is voorbijgegaan aan zijn verplichtingen op de voet van artikel 7:4 Awb Pro en artikel 40, lid 2, Wet WOZ.
3.2
Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat aan belanghebbende in de bezwaarfase het taxatieverslag is verstrekt en dat de heffingsambtenaar de op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage heeft gelegd. Het Hof heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar daarmee aan zijn verplichtingen ingevolge artikel 7:4 Awb Pro en artikel 40, lid 2, Wet WOZ heeft voldaan.

4.Beoordeling van de middelen

4.1
Het eerste middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de heffingsambtenaar met het toezenden van het taxatieverslag aan zijn verplichtingen op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ heeft voldaan. Het middel slaagt. De Hoge Raad verwijst naar de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.3 van het arrest van 18 augustus 2023. [2]
4.2
Het derde middel klaagt erover dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat voor de heffingsambtenaar op grond van artikel 7:4, lid 4, Awb geen verplichting bestond de gevraagde stukken vóór de hoorzitting aan belanghebbende te sturen. Dit middel faalt op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 22/04807, ECLI:NL:HR:2024:289, rechtsoverwegingen 4.2.1 tot en met 4.2.3.
4.3
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.1 is overwogen, kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven. Aangezien geen klachten zijn gericht tegen het oordeel van het Hof dat, zoals ook de Rechtbank heeft geoordeeld, de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld, behoeft de bestreden uitspraak slechts te worden vernietigd voor zover het de beslissingen inzake de proceskosten en het griffierecht betreft.

5.Proceskosten

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stede Broec zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van het geding voor het Hof.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend met betrekking tot de beslissing inzake de proceskosten en het ontbreken van een beslissing inzake het griffierecht,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stede Broec op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 136,
- draagt de heffingsambtenaar van de gemeente Stede Broec op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 134,
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stede Broec in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.750 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Stede Broec in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.750 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2024.

Voetnoten

2.HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052.