Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
30 augustus 2024.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de toepassing van de verzettermijn zoals geregeld in artikel 143 lid 3 Rv Pro in verbinding met artikel 144 onder Pro b Rv, in het licht van het recht op toegang tot de rechter zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM Pro.
De feiten betreffen een verstekvonnis van 3 april 2019, waarbij eiser bij verstek werd veroordeeld tot betaling van een bedrag aan verweerster. Het vonnis werd op 21 september 2020 ten uitvoer gelegd door het leggen van derdenbeslag op gelden die de notaris voor eiser hield. Eiser stelde dat hij pas op 1 februari 2021 kennis had genomen van het verstekvonnis en de procedure, en dat de verzettermijn daarom later zou moeten aanvangen.
Het hof oordeelde dat de verzettermijn aanving op het moment van tenuitvoerlegging en dat eiser slechts een nadere termijn van veertien dagen op grond van artikel 6 EVRM Pro kreeg, welke termijn eiser niet heeft benut. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en stelt dat in situaties waarin de veroordeelde niet bekend was met de tenuitvoerlegging, een nadere termijn van in beginsel vier weken moet worden gegund om het recht op effectieve toegang tot de rechter te waarborgen.
De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling en beslissing. Tevens worden de proceskosten aan verweerster opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst een nadere verzettermijn van vier weken toe op grond van artikel 6 EVRM.