Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
5.Vragen van uitleg
6.Beslissing
5 juli 2024.
Hoge Raad
Deze zaak betreft de uitleg van het begrip 'bestuurder' in artikel 4 lid 1 van Pro de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) en artikel 12 lid 1 van Pro Richtlijn 2009/103/EG. Het geschil ontstond na een ernstig ongeval waarbij de inzittende, een voormalige trainer, tijdens het rijden de handrem aantrok, waardoor de bestuurder de controle over het voertuig verloor en een botsing veroorzaakte.
De rechtbank oordeelde dat de bestuurder vanaf het moment van het aantrekken van de handrem zijn hoedanigheid als bestuurder had verloren, waardoor de verzekeraar aansprakelijk was voor de schade. Het hof vernietigde deze beslissing en stelde dat de bestuurder zijn hoedanigheid behield, ook al was het voertuig oncontroleerbaar geworden door het ingrijpen van de inzittende.
De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van het begrip bestuurder in deze context, mede omdat de Europese richtlijnen geen definitie geven en het Unierecht niet duidelijk is over de reikwijdte van de uitzondering voor bestuurders in de verplichte aansprakelijkheidsverzekering. De procedure wordt geschorst totdat het HvJEU uitspraak doet.
Uitkomst: De Hoge Raad schorst de procedure en stelt prejudiciële vragen aan het HvJEU over de uitleg van het begrip bestuurder in de WAM bij ingrijpen van een inzittende.