ECLI:NL:HR:2023:573
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt proceskostenvergoeding in hoger beroep wegens strijd met discriminatieverbod
Belanghebbende voerde beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch over de proceskostenvergoeding in hoger beroep in een zaak betreffende onroerendezaakbelastingen.
Het Hof had bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding een waarde per punt van € 541 gehanteerd, terwijl volgens belanghebbende de waarde per punt € 759 had moeten zijn. De Hoge Raad oordeelde dat de lagere waarde per punt uit het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 1 van Pro de Grondwet en daarom buiten toepassing moet blijven.
De overige klachten van belanghebbende werden door de Hoge Raad niet gegrond verklaard, zonder nadere motivering. De Hoge Raad vernietigde het gedeelte van het arrest van het Hof dat betrekking had op de proceskostenvergoeding en stelde de vergoeding vast op € 419. Tevens veroordeelde de Hoge Raad het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Land van Cuijk in de proceskosten van het cassatiegeding en bepaalde een vergoeding voor het griffierecht en beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze uitspraak volgt op eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad van 27 mei 2022 waarin het discriminatieverbod bij de waardering van proceskosten werd bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de proceskostenvergoeding van het Hof wegens strijd met het discriminatieverbod en stelt een lagere vergoeding vast.