ECLI:NL:HR:2023:444
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over redelijke termijn en vergoeding immateriële schade bij belastinggeschil
Belanghebbende stelde beroep in cassatie tegen het oordeel van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de redelijke termijn voor de behandeling van een belastinggeschil over aanslag inkomstenbelasting 2015.
Het hof had geoordeeld dat de coronapandemie een bijzondere omstandigheid vormde die een verlenging van de redelijke termijn met vier maanden rechtvaardigde, waardoor geen vergoeding voor immateriële schade werd toegekend. De Hoge Raad oordeelt echter dat de coronapandemie niet in algemene zin een bijzondere omstandigheid is die verlenging rechtvaardigt, tenzij partijen waren uitgenodigd voor een zitting in de periode van sluiting van gerechtsgebouwen (17 maart tot 10 mei 2020).
Omdat uit het dossier niet blijkt dat een zitting in die periode gepland was, heeft het hof ten onrechte de redelijke termijn verlengd. De overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg wordt vastgesteld op minder dan zes maanden, volledig toe te rekenen aan de bezwaarfase.
De Hoge Raad veroordeelt de Inspecteur tot een vergoeding van €500 voor immateriële schade wegens deze overschrijding en in de proceskosten van belanghebbende voor de procedures bij hof en rechtbank. De overige klachten leiden niet tot vernietiging.
Uitkomst: De Hoge Raad veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van €500 voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase.