Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
Verrekening van verliezen, buitenlandse resultaten en bronbelasting
Verticale verrekening van verliezen
Hoge Raad
Belanghebbende, een vennootschap die zich tot de juridische fusie uitsluitend bezighield met houdster- en financieringsactiviteiten, voerde bezwaar tegen een aanslag vennootschapsbelasting over 2015 in cassatie. Na een juridische fusie met een dochtervennootschap die andere activiteiten verrichtte, stelde belanghebbende dat haar houdsterverliezen uit voorgaande jaren verrekend konden worden met de nafusiewinst, ondanks gewijzigde werkzaamheden.
De Rechtbank Den Haag oordeelde dat de valutawinst niet onder de deelnemingsvrijstelling valt en dat de houdsterverliezen niet verrekend kunnen worden omdat de feitelijke werkzaamheden niet langer uitsluitend houdsteractiviteiten betreffen. Belanghebbende stelde dat de juridische fusie genegeerd moest worden voor de werkzaamhedentoets, maar de rechtbank verwierp dit.
De Hoge Raad bevestigt dat artikel 13 lid 6 Wet Pro Vpb niet van toepassing is op valutawinst bij een vaste koopprijs in vreemde valuta en dat de wettelijke werkzaamhedentoets strikt moet worden toegepast. De wetgever heeft bewust geen nadere voorziening getroffen voor verliesverrekening na juridische fusie bij gewijzigde werkzaamheden, anders dan bij fiscale eenheden.
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee het oordeel van de Rechtbank. De proceskosten worden niet aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat houdsterverliezen niet verrekend kunnen worden na wijziging werkzaamheden door juridische fusie.