ECLI:NL:HR:2022:98
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens gebrek aan machtiging
De zaak betreft een beroep in cassatie ingesteld door R. van Iperen tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op verzet. De Hoge Raad heeft onderzocht of het beroep in cassatie ontvankelijk was. De indiener van het beroepschrift werd verzocht binnen zes weken een bewijsstuk te overleggen waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om het beroep in cassatie in te dienen, dan wel een verklaring van degene namens wie het beroep werd ingesteld dat deze daarmee instemt.
Deze verzoeken zijn verzonden, maar het bewijs van machtiging of de verklaring is niet overgelegd. De brief met het verzoek werd eerst aangetekend verzonden, maar wegens onbestelbaarheid teruggezonden en daarna per gewone brief naar het opgegeven adres verstuurd. Omdat de gevraagde machtiging niet werd geleverd, gaat de Hoge Raad ervan uit dat de indiener niet bevoegd was het beroep in cassatie in te dienen.
Op grond hiervan verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding tot veroordeling in de proceskosten. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en op 28 januari 2022 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een bewijsstuk van machtiging.