In deze zaak stond centraal of werknemers die na faillietverklaring van hun werkgever bij een doorstart tegen gelijke arbeidsvoorwaarden bij de verkrijger in dienst treden, vanaf die datum recht hebben op loon van de failliete werkgever. Het UWV vorderde dat de door haar betaalde loongaranties als boedelvorderingen in het faillissement van de werkgever moesten worden aangemerkt.
De rechtbank had het verzoek van het UWV toegewezen, maar het hof vernietigde dit vonnis en wees de vordering af. Het hof oordeelde dat op grond van de oude artikelen 7:627 en 7:628 lid 1 BW de werknemers vanaf de datum van indiensttreding bij de doorstarter geen loon meer van de failliete werkgever konden vorderen, omdat zij zich niet langer beschikbaar stelden voor de bedongen arbeid bij de failliete werkgever.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat het beginsel 'geen arbeid geen loon' onverkort geldt. De oorzaak van het niet langer verrichten van arbeid ligt niet in de risicosfeer van de failliete werkgever, omdat de werknemers akkoord zijn gegaan met de nieuwe arbeidsovereenkomst bij de doorstarter. Hierdoor is er geen grond voor subrogatie van het UWV en zijn de vorderingen geen boedelvorderingen.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep van het UWV af en veroordeelde het UWV in de kosten van het geding. Tevens gaf de Hoge Raad aan dat de gewijzigde wetgeving per 1 januari 2020 inhoudelijk geen verandering brengt in de risicoverdeling tussen werkgever en werknemer.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van de loongarantieregeling en de gevolgen van een doorstart voor de loonvorderingen van werknemers in faillissementssituaties.