ECLI:NL:HR:2022:17
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen vrijstelling overdrachtsbelasting bij juridische afsplitsing met hoofddoel belastingontwijking
Belanghebbende, een vastgoedfonds, had in 2012 een vastgoedportefeuille van een Stichting overgenomen. De Stichting richtte een BV op waarin zij het vastgoed inbracht, waarna de BV het vastgoed afsplitste naar belanghebbende. Belanghebbende betaalde overdrachtsbelasting over deze verkrijging, maar maakte bezwaar tegen de aanslag.
Het Hof Amsterdam oordeelde dat de juridische afsplitsing als hoofddoel had het ontwijken van overdrachtsbelasting en wees de vrijstelling op grond van artikel 15, lid 1, aanhef en letter h van de Wet op belastingen van rechtsverkeer af. Belanghebbende stelde dat het hoofddoel zakelijk was en dat de vrijstelling daarom van toepassing was.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. De Hoge Raad vond dat het Hof terecht had geoordeeld dat het hoofddoel van de juridische afsplitsing het ontwijken van overdrachtsbelasting was en dat belanghebbende dit niet had weerlegd. De Hoge Raad zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de vrijstelling van overdrachtsbelasting wordt niet toegepast omdat de juridische afsplitsing als hoofddoel belastingontwijking had.