ECLI:NL:HR:2022:140

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 februari 2022
Publicatiedatum
3 februari 2022
Zaaknummer
21/01275
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2016

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank Gelderland inzake een voor het jaar 2016 opgelegde aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. De staatssecretaris van Financiën heeft verweer gevoerd, en de Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot gegrondverklaring van het cassatieberoep.

De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en deze verworpen op basis van de motieven die zijn uiteengezet in een gelijktijdig gewezen arrest (ECLI:NL:HR:2022:43). Dit arrest behandelt dezelfde juridische kwesties en vormt de grondslag voor de afwijzing van het beroep.

Er is geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2022. Hiermee blijft de aanslag van de Staatssecretaris van Financiën ongewijzigd van kracht.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2016 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/01275
Datum4 februari 2022
ARREST
in de zaak van
[X2] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 11 februari 2021, nr. AWB 19/7213, betreffende een voor het jaar 2016 opgelegde aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door G.M.C.M. Staats, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 8 oktober 2021 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. [1]

2.Beoordeling van de klachten

De klachten falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 21/01274 (ECLI:NL:HR:2022:43), waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, M.T. Boerlage en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2022.