Uitspraak
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
16 september 2022.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of de CMR-regelgeving een afwijkende bewijslastverdeling bevat met betrekking tot de vraag of de goederen die tijdens het vervoer door de douane zijn aangetroffen, dezelfde zijn als die door de afzender aan de vervoerder zijn meegegeven. De Hoge Raad bevestigde dat de CMR geen expliciete regels bevat die de bewijslastverdeling op dit punt wijzigen. De vrachtbrief levert slechts een bewijsvermoeden op over de juistheid van de gegevens zoals het aantal colli en hun merken bij ontvangst door de vervoerder, maar niet over de identiteit van de goederen tijdens het vervoer.
De feiten betroffen een zending keukenartikelen die door de vervoerder werden opgehaald en vervoerd, maar waarbij de Franse douane bij inspectie sigaretten aantrof zonder dat hierover accijnzen waren betaald. De vervoerder stelde dat de dozen met sigaretten dezelfde waren als die door de afzender waren meegegeven, maar het hof oordeelde dat de vervoerder dit niet had bewezen. De Hoge Raad bevestigde dat de vervoerder de bewijslast draagt en dat het nationale recht hier bepalend is.
Daarnaast vernietigde de Hoge Raad het hofarrest voor zover het de vordering tot betaling van openstaande facturen ten bedrage van € 1.718,20 afwees, omdat daartegen geen grieven waren gericht en het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd was getreden. De Hoge Raad compenseerde de proceskosten van het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest deels en compenseert de proceskosten; de vervoerder draagt de bewijslast dat de door de douane aangetroffen goederen dezelfde zijn als die door de afzender zijn meegegeven.