ECLI:NL:PHR:2021:551

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juni 2021
Publicatiedatum
3 juni 2021
Zaaknummer
20/01794
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 288 lid 1 SvArt. 315 SvArt. 348 SvArt. 350 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest wegens onvoldoende motivering afwijzing getuigenverzoek in diefstalzaak

De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf wegens diefstal uit een woning, waarbij hij samen met anderen een tas, een acculader en geld had weggenomen. Het bewijs bestond voornamelijk uit herkenningen van de verdachte door vier verbalisanten op basis van camerabeelden en stills, die allen de verdachte goed kenden uit eerdere contacten.

De verdediging verzocht voorwaardelijk om het horen van deze vier verbalisanten als getuigen om onder meer te onderzoeken hoe de herkenningen tot stand kwamen en of er overleg was geweest. Het hof wees dit verzoek af met het argument dat de vragen al in de processen-verbaal waren beantwoord en dat het horen van de getuigen geen toegevoegde waarde zou hebben.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het verzoek werd afgewezen, vooral omdat het belang van de verdediging bij het horen van belastende getuigen moet worden voorondersteld volgens de jurisprudentie van het EHRM (zaak Keskin). Tevens ontbrak een beoordeling of de procedure als geheel voldeed aan het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM Pro.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en wees de zaak terug naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling, waarbij het hof ook de eerlijkheid van het proces in ogenschouw moet nemen en de noodzaak van het horen van de getuigen opnieuw moet beoordelen.

Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/01794
Zitting8 juni 2021

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 9 juni 2020 door het gerechtshof Amsterdam wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden. Daarnaast heeft het hof beslist over de vordering van een benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan de verdachte, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
Er bestaat samenhang met de zaak 20/01796. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt dat het hof op onjuiste en/of ontoereikend gemotiveerde gronden het (voorwaardelijke) verzoek tot het horen van een viertal getuigen heeft afgewezen.
4.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“op 2 november 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [a-straat] ) heeft weggenomen een tas, merk Guess, een acculader voor een IPhone en Marokkaans geld, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 1] .”
4.2.
Deze bewezenverklaring berust op de volgende, in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte (met goederenbijlage) met nummer PL1300-2017232364-1 van 9 november 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [doorgenummerde pagina’s 9 tot en met 12].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 9 november 2017 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van aangeefster [betrokkene 1] :
Feit : diefstal in/uit woning
Plaats delict : [a-straat 1] , [plaats]
Pleegdatum : 2 november 2017
Op 2 november 2017 kwam mijn jongste zoon, genaamd: [betrokkene 2] , vanuit school naar onze woning toe. Hij probeerde de deur met zijn sleutel open te maken, echter lukte dit niet omdat het nachtslot aan de binnenzijde van de deur dichtgedraaid was. Hij dacht hierdoor dat er iemand thuis was in de woning. Hij belde een paar keer aan en toen zag hij door het raampje in de deur 3 mannen naar beneden rennen via de trap.
Hierop belde [betrokkene 2] direct 112. Hierna heeft [betrokkene 2] mij in paniek gebeld.
Ik ben samen met de politie naar binnen gegaan. Op de eerste en tweede etage van mijn woning was de boel overhoop gehaald. Uit de slaapkamer van [betrokkene 2] is zijn IPhone lader gestolen. Op de eerste etage is mijn slaapkamer en die van mijn dochter. Uit mijn slaapkamer is 180 euro in Marokkaanse Dirhams gestolen. Uit de slaapkamer van mijn dochter is haar Guess-tas gestolen. De daders hebben de tuindeur van binnen van de sloten afgehaald en open gezet. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
Bijlage goederen:
Goednummer: PL1300-2017232364-5481530
Categorie omschrijving: Geluid en beeldapp/drager
Object: Acculader
Merk/type: IPhone
Goednummer: PL1300-2017232364-5481531
Categorie omschrijving: Zak/tas/koffer
Object: Tas (Dames)
Merk/type: Guess
Kleur: Beige
Land: Nederland
Bijzonderheden: Shopper model
Goednummer: PL 1300-2017232364-5481534
Categorie omschrijving: Geld
Object: Geld (Biljetten)
Bijzonderheden: 9 biljetten van 200 dirham, totaal 180 eur
2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2017232364 van 13 januari 2017 (het hof begrijpt: 13 januari 2018), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] [doorgenummerde pagina’s 21 en 22].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van
verbalisant:
Op 13 januari 2017 (het hof begrijpt: 13 januari 2018) heb ik een onderzoek ingesteld waarbij het
volgende is bevonden. Ik was met tactisch recherchewerk belast op politiebureau Meer en Vaart te Amsterdam. Aldaar keek ik op de aandachtvestigingensite van de politie. Dit is een site waarbij wordt gevraagd om herkenning van verdachten. Alhier zag ik een dia voorbij komen waarbij gevraagd werd om een herkenning van een tweetal personen welke verdacht worden van een inbraak woning op de [a-straat 1] te [plaats] .
Op de dia waren een tweetal personen te zien, ik herkende één van deze personen direct.
Vanaf nu te noemen NN1.
Sign NN1:
- Man
- Licht getint
- Baardgroei
- Blauwkleurige jas met capuchon
Ik herkende NN 1 op de foto's direct als zijnde:
Naam : [verdachte]
Voornaam : [verdachte]
Geboortedatum : [geboortedatum] -1992
Geboorteplaats : [geboorteplaats]
Ik herken [verdachte] aan de specifieke combinatie van zijn gezicht, neus, lippen, mond, en oren.
Ik ken [verdachte] goed van gezicht en vanuit politiewerkervaring. Ik ben gedurende 8 jaar werkzaam in Amsterdam-west en de verschillende stadsdelen welke hierbij horen. Ik ken [verdachte] hierdoor goed. Ik heb hem meerdere keren onderworpen aan controles en hij stond gedurende een lange tijd bij ons op briefingsitems.
3. Een proces-verbaal met nummer 2017232364 van 19 januari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina 23]
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van
verbalisant:
Op 19 januari 2018 bekeek ik een opsporingsbericht op de interne politiepagina. Ik zag dat er
herkenning werd gevraagd van twee verdachten. Ik zag dat onderstaande foto werd getoond van
een verdachte aangeduid als VD1.
Ik herkende de verdachte direct als:
*** [verdachte] geboren op [geboortedatum] -1992 te [geboorteplaats] ***
Ik herken de verdachte direct bij het zien van de foto. Ik herken de verdachte aan de vorm van zijn
hoofd, neus, mond, ogen, oren, wenkbrauwen en haarlijnen.
Ik ben goed bekend met [verdachte] . Ik ken [verdachte] in verband met inbraken. [verdachte]
maakt deel uit van een groep die veelal onder verdachte omstandigheden wordt aangetroffen net na een inbraak. Ik heb [verdachte] vaker op straat gezien of bij controles.
4. Een proces-verbaal van herkenning persoon door opsporingsambtenaar met nummer 2017232364 van 24 januari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] [doorgenummerde pagina’s 24 tot en met 27],
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van
verbalisant:
Op 24 januari 2018 zag ik een aandachtvestiging van de afdeling CUBT West, waarin een afbeelding werd getoond van 2 personen en de volgende informatie werd gegeven:
Op 2 november 2017 breken deze 2 verdachten in bij een woning aan de [a-straat 1] .
De personen op de afbeelding herken ik als: [betrokkene 3] ( [geboortedatum] /1983) en [betrokkene 4]
( [geboortedatum] /1991).
De persoon aangeduid met het cijfer VD1, herken ik als: [betrokkene 3] ( [geboortedatum] /1983) en de persoon aangeduid met VD2, herken ik als [betrokkene 4] ( [geboortedatum] /1991).
Ik, verbalisant, ken de bovengenoemde personen ambtshalve. Ik ben sinds 2010 werkzaam in het
werkgebied van het basisteam Nieuw-West Zuid. De twee verdachten maken onderdeel uit van een hardnekkige jeugdgroep genaamd de Meentgroep. De leden van deze groep hangen veelvuldig op en rond het Dijkgraafplein. Ik ben in deze tijd wekelijks geconfronteerd met de leden van deze groep en dus ook met deze verdachten. Ik herkende beide personen onmiddellijk aan hun gezicht en lichaamshouding.
Tevens hebben beide personen verschillende malen op de briefing gestaan.
5. Een proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar met nummer 2017232364 van 24 januari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar
[verbalisant 5] [doorgenummerde pagina’s 28 en 29].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van
verbalisant:
Op 24 januari 2018 bekeek ik een interne aandachtvestiging van de politie Nederland onder de kop aandachtvestingen intranet. Ik zag een filmfragment van een verdachte. Ik zag dat er herkenning werd gevraagd van de afgebeelde persoon/verdachte. Ik herkende de verdachte na bestudering van de camerabeelden. Op de afbeelding zag ik een persoon welke ik ambtshalve ken.
Identiteit : [verdachte]
Geboren [geboortedatum] -1992 (25) te [geboorteplaats]
Geslacht: man
Ik herken de man als [verdachte] . Ik zag het gezicht duidelijk van de verdachte. Ik herkende de
verdachte duidelijk van het screenshot. [verdachte] herken ik aan zijn unieke gezichtskenmerken.
Ik ken [verdachte] ambtshalve als veelpleger welke voorkomt als TOP600 subject en welke al jaren in verband wordt gebracht met diverse strafbare feiten.
Ik heb in de afgelopen 14 dienstjaren bij de politie Amsterdam zeer veel veelplegers bestudeerd en ken deze bij naam en toenaam. Ik heb mij hierop gespecialiseerd in het onthouden en her-kennen van Amsterdamse veelplegers.
6. Een proces-verbaal van herkenning persoon door opsporingsambtenaar (met bijlagen) met nummer 2017232364 van 25 april 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde
opsporingsambtenaar [verbalisant 6] [doorgenummerde pagina’s 30 tot en met 33],
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van
verbalisant:
Op 25/04/2018 zag ik een aandachtvestiging van de afdeling CUBT-West, waarin een afbeelding werd getoond van drie personen, en de volgende informatie werd gegeven:
Inbraak woning [a-straat 1] .
Op de bewakingsbeelden zag ik dat drie verdachten te zien zijn. Twee verdachten lopen langs de
woning. Dit betreffen VD-1 ( [betrokkene 3] ) en VD-2 (NN). De derde verdachte, VD-3, ( [verdachte] - het hof begrijpt telkens [verdachte] - is samen met VD-2 te zien in de tuin. VD-3 ( [verdachte] ) heeft een baard en een snor en draagt een donkerkleurig hoofddeksel.
De persoon aangeduid met VD-3, herken ik als: [verdachte] , geboren op
[geboortedatum] /1992 te [geboorteplaats] . Adres: [b-straat 1] , [plaats] .
Ik ken de bovengenoemde persoon ambtshalve. Ik ben werkzaam als hoofdagent in Amsterdam Nieuw West, met name in de omgeving van Osdorp, alwaar [verdachte] woonachtig is. Sedert 2010 heb ik regelmatig politiecontacten gehad met [verdachte] , hetzij d.m.v. staandehoudingen en/of sociale gesprekken. Mij is bekend dat [verdachte] een opvallende baard en snor heeft (inclusief een klein sikje aan de onderzijde van zijn lip). [verdachte] heeft altijd een norse blik in zijn gezicht.
[verdachte] heeft een lengte van ongeveer 170 centimeter en verder heeft hij een klein litteken aan de bovenzijde van zijn neus, precies tussen de ogen, en een mager postuur.
7. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2017232364-12 van 28 november 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] [doorgenummerde pagina 43].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van
verbalisant:
Buit
Bij de inbraak is een klein geldbedrag, een IPhone oplader snoertje en een beige Guess tas
buitgemaakt.
Beelden
Op 8 november 2018 zijn de beelden nogmaals bekeken.
Guess tas zichtbaar
Bij het verlaten van aangever zijn (het hof begrijpt: haar) tuin zijn 2 personen op beeld waar te nemen.
Op tijdstip 02-11-2017 18:05:20 uur is te zien dat een persoon (latere herkenning: [betrokkene 4] ) een tas boven zijn hoofd houdt en dat hij met gehandschoende handen de bovenzijde van het hek vasthoudt en dit hek opentrekt. Vervolgens is te zien dat een tweede persoon ( [verdachte] ) ietwat door de knieën gaat en door het hek de tuin verlaat, gevolgd door de eerste persoon [betrokkene 4] . Op de beelden, gedateerd 02-11-2017 18:05:21 uur, is te zien dat de eerste persoon ( [betrokkene 4] ) een beige kleurige tas vast heeft.
8. Een proces-verbaal van onderzoek met nummer PL 1300-2017232364-8 van 13 juli 2018, in de
wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 8]
[doorgenummerde pagina’s 4 tot en met 6].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van
verbalisant:
AANLEIDING ONDERZOEK
Op 6 april 2018 heb ik opdracht gekregen om een onderzoek in te stellen naar aanleiding van een
aangifte onder nummer 2017232364 ter zake diefstal uit een woning, die bij de politie Eenheid
Amsterdam op 9 november 2017 is gedaan.
KENNISGEVING VAN INBESLAGNAME BEELDEN
Op 7 november 2017 heeft collega [verbalisant 6] beelden in beslag genomen. Deze beelden mogen gebruikt worden voor het onderzoek.
FOTOBlJLAGE.
Op 29 januari 2018 heeft verbalisant [verbalisant 9] een fotobijlage gemaakt van de aangeleverde
beelden. In deze fotobijlage zijn drie personen te zien. Deze foto's zijn geplaatst op de zo geheten interne aandachtvestigingen pagina. Op deze pagina kunnen collega's kijken of zij één van de afgebeelde personen herkennen.
ONDERZOEK BEELDEN/ FOTOBIJLAGE
Ik heb de beelden en de fotobijlage bekeken. Ik zag dat er 2 personen via de achtertuin de woning
verlieten. Ik zag dat dit in de fotobijlage verdachte 2, [betrokkene 4] , en verdachte 3,
[verdachte] , waren.
Op de beelden is te zien dat er 2 mannen langs een woning lopen. Verdachte 1, [betrokkene 3] en verdachte 2, [betrokkene 4] . Verdachte 2 vlucht later via de achtertuin, beiden lopen in eerste
instantie langs een andere woning. Verdachte [betrokkene 3] is verder niet te zien als [betrokkene 4] en [verdachte] vluchten via de achtertuin.”
4.3.
Ten aanzien van het bewijs heeft het hof in zijn verkort arrest nog het volgende overwogen:
“Bespreking van gevoerde verweren
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van haar pleitnota primair aangevoerd dat de verdachte wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs van het ten laste gelégde dient te worden vrijgesproken, nu de herkenningen van de verdachte door de verbalisanten onvoldoende betrouwbaar zijn.
Zij heeft hiertoe onder meer aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat de herkenning van de verdachte door de verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] niet voldoet aan de vereisten van de vaste jurisprudentie, te weten dat dergelijke herkenningen moeten plaatsvinden op basis van specifieke onderscheidende persoonskenmerken. De herkenningen zijn te algemeen en onvoldoende specifiek. Bovendien is het proces-verbaal van herkenning door voornoemde verbalisant [verbalisant 2] opgemaakt op 13 januari 2017, ruim negen maanden voordat het onderhavige feit is gepleegd. Deze herkenning is derhalve niet als betrouwbaar te bestempelen. Daarnaast geldt ten aanzien van de herkenningen door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] dat zij enkel de stills van de camerabeelden hebben bekeken, waardoor de herkenningen überhaupt als minder betrouwbaar moeten worden aangemerkt. Voorts is de betrouwbaarheid van de herkenningen van de verdachte door Voornoemde verbalisanten onvoldoende, mede gelet op de beelden waarop de persoon kort en beperkt in beeld komt.
Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat de verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 6] onderling overleg hebben gehad over de herkenning van de verdachte nu zij op hetzelfde politiebureau Nieuw West-Noord te Amsterdam werkzaam zijn en de veelheid aan kenmerken die door de verbalisanten worden opgesomd in het onderhavige geval juist afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de herkenningen.
Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat indien het hof zou oordelen dat de verdachte de persoon is die op de bewakingsbeelden te zien is, daaruit niet zonder meer volgt dat de verdachte als pleger of medepleger betrokken is geweest bij de woninginbraak. Aan de hand van de camerabeelden kan niet worden vastgesteld dat deze personen ook daadwerkelijk in de bewuste woning zijn geweest. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat de verdachte slechts in de tuin heeft gestaan, hetgeen onvoldoende is voor medeplegen van de woninginbraak. Daarnaast kan uit de camerabeelden niet worden afgeleid dat er sprake was van een bepaalde rolverdeling tussen de verschillende personen die duidt op een bewuste en nauwe samenwerking. Derhalve dient de verdachte te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde nu hij niet als medepleger van de woninginbraak kan worden aangemerkt.
Het hof overweegt als volgt.
Herkenning
Bij de beoordeling van herkenningen staat steeds voorop dat daarbij behoedzaamheid betracht dient te worden. Dit geldt temeer indien de herkenningen, zoals in de onderhavige strafzaak, de voornaamste bewijsmiddelen vormen.
Uit onderzoek door wetenschappers komt naar voren, zoals ook genoemd in meerdere gepubliceerde uitspraken, dat gezichten als één geheel, dat wil zeggen holistisch in het geheugen worden opgeslagen en wel in visuele vorm. Dit is ook de wijze waarop de herkenning van gezichten plaatsvindt, hetgeen onder meer tot gevolg heeft dat het heel lastig kan zijn een beschrijving te geven van een gezicht dat men goed kent en goed kan herkennen. Ook heeft het vanwege de holistische herinnering aan gezichten weinig zin om aan een getuige te vragen waaraan hij precies het gezicht van de verdachte heeft herkend. Dit zal niet meer kunnen opleveren dan een in woorden gegoten rationalisatie achteraf van een niet-rationeel proces.
Het hof heeft de volgende elementen in zijn beoordeling betrokken. In de eerste plaats heeft het hof aan de hand van de foto’s in het dossier beoordeeld of deze voldoende duidelijk en helder zijn om een herkenning op te kunnen baseren. Daarmee nauw in verband staat een tweede beoordelingselement, namelijk hoe goed de herkenner de verdachte kent. Hoe beter men de verdachte (visueel) kent, hoe minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Tevens zijn de aard, frequentie en het tijdsverloop sinds de ontmoeting(en) van belang. Een derde beoordelingselement is het aantal in aanmerking komende herkenningen, die onafhankelijk van elkaar zijn gedaan. Hoe meer dat er zijn, hoe hoger de bewijskracht in samenhang maar ook van elke herkenning op zich.
Het hof acht de zich in het dossier bevindende stills van de camerabeelden van voldoende kwaliteit en voldoende duidelijk om als basis voor herkenning te dienen. Ten overvloede merkt het hof op dat ter terechtzitting in hoger beroep zowel de bewegende camerabeelden als de stills daarvan zijn vertoond, waarbij het hof heeft vastgesteld dat zowel de bewegende camerabeelden als de stills duidelijk en helder zijn.
Verbalisant [verbalisant 2] keek op 13 januari 2017 (het hof begrijpt: 13 januari 2018) op de aandachtvestigingensite van de politie, waarbij werd gevraagd om herkenning van verdachten. Alhier zag hij een dia voorbij komen waarbij werd gevraagd om herkenning van een tweetal personen welke verdacht werden van een inbraak in een woning op de [a-straat 1] te [plaats] . Op de dia waren een tweetal personen te zien en hij herkende één van deze personen direct als de verdachte [verdachte] . Hij herkende de verdachte aan de specifieke combinatie van zijn gezicht, neus, lippen, mond en oren. Hij kent de verdachte goed van gezicht en vanuit politiewerkervaring. Hij is gedurendé acht jaar werkzaam in Amsterdam-West en de verschillende stadsdelen die daarbij horen. Hij kent de verdachte daardoor •goed. Hij heeft hem meerdere keren onderworpen aan controles en de verdachte stond gedurende een lange tijd op de briefingsitems.
Het hof overweegt dat het niet anders kan dan dat het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] (dossierpagina 21 e.v.) op 13 januari 2018 is opgemaakt en dat de verbalisant zich kennelijk heeft vergist in het jaartal (2017 in plaats van het juiste jaartal 2018), nu het proces-verbaal niet opgemaakt kan zijn voordat het feit heeft plaatsgevonden en daar beelden van beschikbaar waren.
Verbalisant [verbalisant 3] bekeek op 19 januari 2018 een opsporingsbericht op de interne politiepagina. Hij zag dat er herkenning werd gevraagd van twee verdachten. Bij het zien van de foto herkende hij direct één van de verdachten als de verdachte [verdachte] . Hij herkende de verdachte aan de vorm van zijn hoofd, neus, mond, ogen, oren, wenkbrauwen en haarlijnen. Hij is goed bekend met de verdachte. Hij kent de verdachte in verband met inbraken. De verdachte maakt deel uit van een groep die veelal onder verdachte omstandigheden wordt aangetroffen net na een inbraak. Hij heeft de verdachte vaker op straat of bij controles gezien.
Verbalisant [verbalisant 5] bekeek op 24 januari 2018 een interne aandachtvestiging van de politie Nederland. Hij zag een filmfragment van een verdachte en zag dat er herkenning werd gevraagd van de afgebeelde persoon/verdachte. Hij herkende de verdachte [verdachte] ambtshalve na bestudering van de camerabeelden, Hij zag het gezicht van de verdachte duidelijk en herkende hem aan zijn unieke gezichtskenmerken. Hij kent de verdachte ambtshalve als veelpleger, wélke voorkomt als TOP600 subject. Hij heeft in de afgelopen veertien dienstjaren zich gespecialiseerd in het onthouden en herkennen van Amsterdamse veelplegers.
Verbalisant [verbalisant 6] bekeek op 25 april 2018 een aandachtvestiging, waarin een afbeelding werd getoond van drie personen en de volgende informatie werd gegeven: inbraak woning [a-straat 1] . Op de bewakingsbeelden zag hij dat drie personen te zien zijn. Eén van de personen herkende hij als verdachte [verdachte] . De verdachte is te zien in de tuin, heeft een baard, een snor en draagt een donkerkleurig hoofddeksel. Hij kent de verdachte ambtshalve. Hij is werkzaam als hoofdagent in Amsterdam Nieuw-West, met name in de omgeving van Osdorp, alwaar de verdachte woonachtig is. Sedert 2010 heeft hij regelmatig politiecontacten gehad met de verdachte, hetzij door middel van staandehoudingen en/of sociale gesprekken. Hem is bekend dat de verdachte een opvallende baard en snor heeft (inclusief een klein sikje aan de onderzijde van zijn lip) de verdachte heeft altijd een norse blik in zijn gezicht. De verdachte heeft een lengte van ongeveer 170 cm en heeft een klein litteken aan de bovenzijde van zijn neus, precies tussen de ogen.
Hoewel in de onderhavige strafzaak slechts ten dele sprake is van herkenning van specifieke gezichts- of gelaatskenmerken van de verdachte, zoals door de raadsvrouw is aangevoerd, acht het hof - gelet op het vorenstaande - de herkenningen door de verbalisanten voldoende betrouwbaar en bezigt deze dan ook voor het bewijs. Het hof acht daarbij van belang dat niet één, maar vier verbalisanten de verdachte hebben herkend en dat twee van hen (ook) bewegende camerabeelden hebben gezien. Zij zijn allen ambtshalve goed bekend met de verdachte en hebben hem in het verleden geregeld gecontroleerd of staande gehouden, dan wel hebben met hem op straat gesproken. Deze omstandigheden vergroten de betrouwbaarheid van de herkenningen. Derhalve stelt het hof vast dat de persoon met de blauwe (baseball) pet en de donkere jas op de camerabeelden (en de stills) in de (achter)tuin van de woning aan [a-straat 1] te [plaats] de verdachte is en daarmee verwerpt het hof het door de raadsvrouw gevoerde primaire verweer. Dat de verbalisanten andere kenmerken noemen als onderdeel van de door hen gedane herkenning, maakt de individuele herkenning betrouwbaarder.
Ten aanzien van de door de raadsvrouw aangevoerde en niet onderbouwde stelling dat niet kan worden uitgesloten dat de verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 6] onderling overleg hebben gehad over de herkenning van de verdachte nu zij op hetzelfde politiebureau Nieuw West-Noord te Amsterdam werkzaam zijn, overweegt het hof dat het dossier niet alleen geen enkele aanwijzing bevat voor deze stelling van de verdediging, maar dat het hof ook geen reden heeft te twijfelen aan de juistheid (van de deel van) het gevoerde verweer.
Met betrekking tot het subsidiair door de raadsvrouw gevoerde verweer overweegt het hof dat de verdachte in geen enkel stadium van het geding een aannemelijke verklaring voor zijn aanwezigheid in de (achter)tuin van de woning aan [a-straat 1] te [plaats] ten tijde van de woninginbraak heeft gegeven, welke aanwezigheid wordt ondersteund door de camerabeelden (van de achtertuin). Uit het proces-verbaal van onderzoek van 13 juli 2018 van verbalisant [verbalisant 8] (dossierpagina 4 e.v.) blijkt dat foto’s van beelden zijn gemaakt waarop drie personen te zien zijn. Voorts blijkt uit onder meer het proces-verbaal van aangifte van 9 november 2017 van verbalisant [verbalisant 1] (dossierpagina 9 e.v.) dat de zoon van aangeefster [betrokkene 1] , genaamd [betrokkene 2] , drie mannen via de trap naar beneden heeft zien rennen, dat uit de slaapkamer van de dochter van de aangeefster een beige kleurige Guess tas is gestolen en dat de daders van de woninginbraak de tuindeur van de sloten hebben afgehaald en open hebben gezet. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 28 november 2018 van verbalisant [verbalisant 7] (dossierpagina 43) betreffende de camerabeelden blijkt onder meer dat bij het verlaten van de (achter)tuin van aangeefster [betrokkene 1] mededader [betrokkene 4] een beige kleurige tas boven zijn hoofd houdt en dat hij met gehandschoende handen de bovenzijde van het hek vasthoudt en dit opentrekt. Vervolgens is te zien dat de verdachte ietwat door de knieën gaat en door het hek de tuin verlaat, gevolgd door voornoemde mededader. Onder deze omstandigheden staat voor het hof vast dat de groep inbrekers uit drie personen bestond waarvan verdachte er één was, dat die personen in de woning van de aangeefster zijn geweest en dat zij goederen uit de woning hebben meegenomen. Daarmee is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en diens mededaders voldoende is komen vast te staan. Derhalve verwerpt het hof het door de raadsvrouw gevoerde subsidiaire verweer.”
4.4.
Omtrent het in het middel bedoelde (voorwaardelijke) verzoek tot het horen van een viertal getuigen houdt het verkorte arrest van het hof het volgende in:
“Beslissing omtrent een (voorwaardelijk) verzoek
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof voorwaardelijk verzocht om verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] als getuige te doen horen indien het hof de verdachte niet zal vrijspreken van het hem ten laste gelegde en het hof de herkenningen van de verdachte door de verbalisanten tot het bewijs zal bezigen. De raadsvrouw heeft in dit verband aangevoerd dat zij voornoemde verbalisanten onder meer wenst te bevragen hoe de herkenningen tot stand zijn gekomen, of daarover overleg is geweest, waaraan zij de verdachte specifiek herkennen, wat de onderscheidende kenmerken zijn, waarvan zij de verdachte kennen en hoe zij hem herkennen.
“ Het hof is van oordeel dat de door de raadsvrouw opgegeven vragen reeds worden beantwoord in de daarover opgemaakte processen-verbaal (van herkenning van de verdachte) van verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] en het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid (van de inhoud) van de processen-verbaal van voornoemde verbalisanten. Ook overigens ziet het hof, mede gelet op hetgeen het hof hiervoor ten aanzien van de herkenningen heeft overwogen, geen noodzaak voornoemde verbalisanten als getuige te horen. Derhalve wijst het hof het (voorwaardelijke) verzoek af.”
4.5.
Met betrekking tot de afwijzing van het op de terechtzitting door de verdediging gedane voorwaardelijke verzoek tot het oproepen van de vier verbalisanten als getuige heeft het hof het noodzakelijkheidscriterium toegepast. Het middel bestrijdt de toepassing van dit criterium niet en dat is mijns inziens terecht.
4.6.
Echter, ook bij de toepassing van het noodzakelijkheidscriterium moet acht worden geslagen op de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin [1] en op hetgeen de Hoge Raad naar aanleiding daarvan heeft overwogen in zijn richtinggevende arrest naar aanleiding van die uitspraak (arrest van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576). De Hoge Raad is in dat arrest ingegaan op de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen door de feitenrechter, in de situatie dat zo’n verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al - in het vooronderzoek of anderszins - een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. In dit arrest heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:
“2.8 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 op hoofdlijnen uiteengezet op welke wijze de op grond van het Wetboek van Strafvordering geldende regels over het oproepen dan wel horen van door de verdediging opgegeven getuigen moeten worden uitgelegd. In aanvulling daarop heeft de Hoge Raad in het onder 2.2 weergegeven arrest van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015 uiteengezet welke eisen gelden met betrekking tot de onderbouwing van verzoeken van de verdediging tot het oproepen en horen van getuigen. De uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin geeft aanleiding die eisen bij te stellen waar het gaat om getuigen die een verklaring met een belastende strekking hebben afgelegd.
2.9.1 De motiveringsplicht die in het genoemde arrest van 4 juli 2017 door de Hoge Raad is geformuleerd, houdt in dat de verdediging ten aanzien van iedere door haar opgegeven getuige moet toelichten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak op grond van artikel 348 en Pro 350 Sv te nemen beslissing. Aan dit motiveringsvereiste ligt ten grondslag dat de rechter in staat wordt gesteld de relevantie van het verzoek te beoordelen, mede in het licht van de onderzoeksbevindingen zoals deze zich op het moment van het verzoek in het dossier bevinden. Ook draagt dat vereiste eraan bij dat de rechter zo vroegtijdig mogelijk het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM Pro bij de beoordeling van het verzoek kan betrekken.
2.9.2 De uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin heeft tot gevolg dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al - in het vooronderzoek of anderszins - een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. Daarvan is in ieder geval sprake als de rechter in eerste aanleg een verklaring van een getuige voor het bewijs heeft gebruikt, en de verdediging in hoger beroep het verzoek doet deze getuige op te roepen en te (doen) horen.
(...)
2.12.1 De voor het Nederlandse stelsel kenmerkende omstandigheid dat de rechter in de loop van het strafproces beslissingen neemt over het oproepen en horen van getuigen, is niet alleen van betekenis bij de beoordeling van getuigenverzoeken, maar ook bij de eindbeoordeling van de zaak. Zoals in het (...) arrest van 4 juli 2017 [ECLI:NL:HR:2017:1015] is overwogen, moet de rechter voordat hij einduitspraak doet, nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal hij hetzij ambtshalve alsnog overgaan tot het oproepen en het horen van (een) getuige(n), hetzij bij zijn beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.
2.12.2 Deze wijze van beoordeling sluit aan bij de drie stappen die in de rechtspraak van het EHRM deel uitmaken van de beoordeling of, in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het - wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt - des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. Dit betekent dat met name in gevallen waarin niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen zonder dat die in beslissende mate zal steunen op de verklaring van de getuige, terwijl de verdediging het nodige initiatief heeft getoond om het ondervragingsrecht te kunnen uitoefenen en een goede reden ontbreekt om de getuige niet te horen, de rechter (alsnog) zal moeten overgaan tot het oproepen en horen van die getuige, althans nog zal moeten doen wat redelijkerwijs mogelijk is om de verdediging de gelegenheid te bieden tot uitoefening van het ondervragingsrecht.
Als de uitoefening van het ondervragingsrecht niet wordt gerealiseerd, moet de rechter onderzoeken of voldoende compenserende factoren hebben bestaan voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige, waarmee ook de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing wordt gewaarborgd. Als de rechter oordeelt dat (vooralsnog) onvoldoende compenserende factoren hebben bestaan, onderzoekt hij of daartoe alsnog stappen kunnen worden gezet. Het gaat er daarbij in de kern om dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring. Van belang daarbij kunnen zijn verklaringen van personen tegenover wie de getuige - kort na de gebeurtenissen waar het om gaat - zijn of haar verhaal heeft gedaan of die anderszins feiten en omstandigheden waarop de getuigenverklaring ziet, kunnen bevestigen. Het kan onder omstandigheden ook gaan om verklaringen van deskundigen die de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige dan wel de persoon van die getuige aan een onderzoek hebben onderworpen. Verder kan compensatie betrekking hebben op procedurele waarborgen zoals de beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van het verhoor van de getuige of het ondervragen van de zojuist genoemde personen of deskundigen. In dit verband kan ook van belang zijn dat de verdediging wel een beperkte mogelijkheid heeft gehad om vragen te (doen) stellen aan de getuige.
2.12.3 De toetsing in cassatie kan gericht zijn op de vraag of de beslissing het tenlastegelegde mede op grond van een verklaring van een niet-ondervraagde getuige bewezen te verklaren in overeenstemming is met het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van ‘the overall fairness of the trial’. Bij deze beoordeling kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dit het geval is, (nader) heeft gemotiveerd.”
4.7.
Dat de verzochte vier getuigen – de vier verbalisanten die verklaard hebben de verdachte te herkennen op de beelden die van de plaats van de inbraak beschikbaar waren – belastende getuigen zijn lijdt geen twijfel. Daarbij valt nog aan te tekenen dat (ook) de rechtbank deze verklaringen voor het bewijs heeft gebruikt. Wat dat betreft vallen deze getuigen in de categorie die in het post-Keskin-arrest wordt behandeld. Ten aanzien van de vraag of het belang van de verdediging om de verzochte getuigen op te roepen en te horen moet worden voorondersteld liggen de kaarten in de onderhavige zaak echter enigszins anders dan in de zaak Keskin. Daar was door het (Nederlandse) hof overwogen dat vanwege de ontoereikende onderbouwing van het getuigenverzoek het horen van de getuigen niet noodzakelijk werd geoordeeld. Daarover brak het Straatsburgse hof de staf - het belang van de verdediging moet bij belastende getuigen worden voorondersteld en een voorafgaande onderbouwing door de verdediging van het belang van het horen van de getuige mag niet worden geëist. In de huidige zaak heeft het echter hof overwogen dat gelet op de juist wél aanwezige motivering van het verzoek de noodzaak tot het oproepen van de getuigen niet is gebleken. Het hof is immers van oordeel dat de door de raadsvrouw opgegeven vragen reeds worden beantwoord in de daarover opgemaakte processen-verbaal (van herkenning van de verdachte) van verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] en dat het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid (van de inhoud) van de processen-verbaal van voornoemde verbalisanten. Daarnaast overweegt het hof nog dat het ook “overigens”, mede gelet op hetgeen het hof ten aanzien van de herkenningen heeft overwogen, geen noodzaak ziet de genoemde verbalisanten als getuige te horen.
4.8.
Dat maakt dat de vraag moet worden gesteld of deze door het hof gehanteerde grond voor afwijzing van het verzoek door de beugel kan. Daarvoor is van belang wat de Hoge Raad nog meer in het Post-Keskin arrest heeft overwogen:
“2.9.3 Het vorenstaande betekent niet dat elk verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die al een belastende verklaring heeft afgelegd, door de rechter zonder meer moet worden toegewezen. Zo’n verzoek kan worden afgewezen op de – in artikel 288 lid 1 Sv Pro genoemde, maar ook voor de toepassing van artikel 315 Sv Pro van belang zijnde – gronden dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, of dat het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang de getuige ter terechtzitting te kunnen ondervragen. In de rechtspraak van het EHRM zijn onder meer deze gronden erkend als goede reden voor het niet oproepen en horen van een getuige.
noot 18 [2] Verder verzet artikel 6 EVRM Pro zich niet ertegen dat de rechter het verzoek afwijst als het oproepen en horen van een getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig (“manifestly irrelevant or redundant”
noot 19) [3] is, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.”
4.9.
Afgezet tegen de in deze passage gehanteerde ‘goede’ redenen voor afwijzing van een getuigenverzoek komt mij de motivering die het hof hanteert als ontoereikend voor. Het meest nog komt in de buurt de overweging van het hof dat de door de verdediging te stellen vragen reeds beantwoord zijn in de processen-verbaal van de opsporingsambtenaren. In de visie van het hof zou het verzoek dan geen ‘toegevoegde waarde’ hebben. Irrelevant zijn de vragen echter niet en ook kan niet gezegd worden dat het gaat om feiten en omstandigheden die door de verdediging niet zijn betwist of die door andere resultaten van het onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Daarnaast is het ook nog zo dat de verdediging vragen wilde stellen over een mogelijk vooroverleg tussen de verbalisanten. De overweging van het hof dat het - naar ik begrijp op dit punt - geen reden heeft te twijfelen aan de juistheid (van de inhoud) van de processen-verbaal van voornoemde verbalisanten maakt in ieder geval niet dat het horen van de verbalisanten als ‘irrelevant or redundant’ kan worden aangemerkt. Al met al heeft mijns inziens het hof de afwijzing van het verzoek niet toereikend gemotiveerd.
4.10.
Het ontbreken van een goede reden om de getuigen niet te horen maakt dat vervolgens - de tweede stap die hierboven in 3.6 aan de orde was - de volle nadruk komt te liggen op de vraag of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Daarbij lijkt mij in de onderhavige zaak van wezenlijk belang dat de verklaringen van de getuigen van doorslaggevend gewicht zijn voor de bewezenverklaring. Hierbij valt aan te tekenen dat de herkenning door deze getuigen-verbalisanten van de verdachte in de bewijsconstructie van het hof niet wordt ondersteund door enige eigen waarneming door het hof aan de hand van de op de terechtzitting vertoonde videobeelden en stills. De herkenning door de verbalisanten lijkt mij dus zonder meer ‘decisive’ voor het bewijs, deze vindt nergens ondersteuning, behalve dan in het feit dat de verdachte door vier verbalisanten is herkend. Deze herkenningen kunnen vanuit het Straatsburgse perspectief echter niet over en weer als ondersteunend bewijs gelden, aangezien het wat alle vier de getuigen betreft gaat om ‘untested’ evidence.
4.11.
Voorts is het de vraag of door het hof wellicht compenserende maatregelen in ogenschouw zijn genomen, die maken dat uiteindelijk nog wel van een fair hearing gesproken kan worden. Gedacht kan worden aan het door het hof vertonen op de zitting van de beelden aan de hand waarvan de herkenningen hebben plaatsgevonden. Een motivering door het hof op dit punt ontbreekt echter in het arrest. Tot een beoordeling van de eerlijkheid van het proces als geheel is het hof op dit punt dus niet overgegaan. [4]
4.12.
Als laatste merk ik op dat het hof ook geen kenbare aandacht besteed aan de vraag of het stadium waarin het verzoek is gedaan betekenis heeft voor de beoordeling of sprake is van een fair hearing. [5]
4.13.
Het hof heeft er aldus naar ik meen onvoldoende blijk van gegeven te hebben nagegaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
4.14.
Het middel slaagt.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin tegen Nederland).
2.Noot 18 luidt: “Zie onder meer EHRM 15 december 2011, nrs. 26766/05 en 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/Verenigd Koninkrijk), § 120-125 en EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), § 119, met nadere verwijzingen.”
3.Noot 19 luidt: “Zie naast § 57 van de uitspraak in de zaak Keskin bijvoorbeeld ook EHRM 14 januari 2020, nrs. 51111/07 en 42757/07, (Khodorkovskiy en Lebedev/Rusland (nr. 2)), § 484.”
4.Vgl. HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:782 en HR 25 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:768.
5.Vgl. het post-Keskin arrest HR 20 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:576 onder 5.11.