Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Amsterdam,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
21 mei 2021.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of een bestuurder aansprakelijk kan worden gehouden voor niet-betaalde pensioenpremies over een periode die ook na de mededeling van betalingsonmacht valt. De eiser was indirect bestuurder van een vennootschap die onder het bedrijfstakpensioenfonds viel en had tijdig betalingsonmacht gemeld. Desondanks bleef betaling van pensioenpremies uit.
Het bedrijfstakpensioenfonds vorderde betaling van de openstaande premies en stelde dat de bestuurder hoofdelijk aansprakelijk was wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur. Het hof oordeelde dat de gedragingen van de bestuurder ook na de melding van betalingsonmacht getoetst mogen worden en dat het niet betalen van premies het gevolg was van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Dit oordeel werd bekrachtigd door de Hoge Raad.
De Hoge Raad verduidelijkte dat zolang er een betalingsachterstand bestaat na een correcte melding van betalingsonmacht, de aansprakelijkheid van de bestuurder ook kan berusten op onbehoorlijk bestuur dat na die melding heeft plaatsgevonden. De klacht dat dit in strijd zou zijn met de wetsgeschiedenis werd verworpen. De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en veroordeelde de eiser in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt aansprakelijkheid van de bestuurder voor niet-betaalde pensioenpremies ook over de periode na melding betalingsonmacht.