Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 27 juni 2019 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [1] Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op de beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 oktober 2020, Weindel Logistik Service SR spol. s r.o, C‑621/19, ECLI:EU:C:2020:814. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk gereageerd.
2.Uitgangspunten in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
Om het recht op aftrek van de hiervoor bedoelde btw te kunnen uitoefenen, moet de belastingplichtige volgens artikel 178, aanhef en letter e, van BTW-richtlijn 2006 in het bezit zijn van een document (i) waaruit de invoer blijkt en waarin hij wordt aangeduid als degene voor wie de invoer is bestemd of als de importeur, en (ii) waarin het bedrag van de verschuldigde btw wordt vermeld of op grond waarvan dat bedrag kan worden berekend.
Het recht op aftrek ontstaat weliswaar krachtens artikel 167 van Pro BTW-richtlijn 2006 op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt, maar de aftrek van voorbelasting is verbonden met betaling van belasting. Daarom kan volgens artikel 178 van Pro BTWrichtlijn 2006 die aftrek pas worden uitgeoefend wanneer de belastingplichtige in het bezit is van - in een geval als dit - het in artikel 178, letter e, bedoelde document waarin de verplichting tot betaling is vastgelegd. [2]
Het Hof heeft evenwel, zoals hiervoor in 2.2.2 uiteengezet, deze vaststelling niet ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat de Inspecteur het verzoek om teruggaaf terecht heeft afgewezen. Aangezien middel I terecht is voorgesteld, rijst de vraag of – zoals middel IV kennelijk veronderstelt – de hiervoor bedoelde vaststelling van het Hof betekenis kan hebben voor het beslechten van het geschil over het recht op aftrek.
Evenmin kan de omstandigheid dat de BV, ter vervanging van de gestolen partij, de aanschafkosten heeft moeten dragen van een vervangende partij nikkel, een recht op aftrek doen ontstaan voor de van haar bij uitnodiging tot betaling geheven omzetbelasting, aangezien - zoals de Rechtbank terecht heeft beslist - die kosten zien op de verwerving van andere goederen dan de partij nikkel waarop de geheven omzetbelasting betrekking heeft.