Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
middel IIIdat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het neutraliteitsbeginsel niet aan zijn oordeel afdoet.
2.De wijze van heffing
3.Tijdstip van uitoefenen recht op aftrek
Biosafe [17] heeft de gelijknamige onderneming Biosafe rubbergranulaat verkocht en daarbij het verlaagde btw-tarief in rekening gebracht. Na een belastingcontrole bleek dat het normale btw-tarief toegepast had moeten worden. Biosafe heeft daarop debetnota’s uitgereikt aan de afnemer en verzocht het extra btw-bedrag te betalen. De afnemer weigerde echter te betalen omdat zij meende dat zij die belasting niet meer in aftrek kon brengen. In de daarop volgende civiele procedure kwam de vraag op of de afnemer het recht op aftrek alsnog kon uitoefenen. Het HvJ overweegt in dit verband:
Biosafeook in Nederland geldt dat een ondernemer niet kan worden tegengeworpen dat hij de belasting niet in aftrek heeft gebracht in het tijdvak waarin die belasting verschuldigd is geworden, in het geval hij op dat moment nog niet over een factuur beschikte waarop die belasting in rekening is gebracht. Uit dat arrest volgt immers dat een nationale verjaringstermijn van vier jaren niet verhindert dat de btw alsnog in aftrek kan worden gebracht wanneer na afloop van die termijn een factuur wordt ontvangen. Het kan mijns inziens niet zo zijn dat een lidstaat die een langere verjaringstermijn kent voor het aftrekrecht (Portugal), verplicht is toe te staan dat recht op aftrek wordt verleend, terwijl een lidstaat die een kortere termijn heeft (Nederland) daartoe niet verplicht is. De redactie van de V-N meent ook dat
Biosafegevolgen heeft voor Nederland. [19] Zij wijst daarbij tevens op een besluit van de staatssecretaris van Financiën waarin het volgende is opgenomen: [20]
Volkswagen [21] , het arrest waarnaar het HvJ in
Biosafemeermaals verwijst.
middel Iterecht is voorgesteld. Het oordeel van het Hof dat belanghebbende in het verkeerde tijdvak aanspraak maakt op aftrek van de omzetbelasting bij invoer getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Aangezien
middel IIIhetzelfde oordeel van het Hof bestrijdt met andere argumenten, behoeft dit middel geen behandeling.
middel Itot cassatie leidt, hangt af van de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek. Die vraag behandel ik hierna.
4.Het recht op aftrek
DSV Road [26] heeft het HvJ uitleg gegeven aan artikel 168(e) Btw-richtlijn. In punt 49 van het arrest overweegt het HvJ:
DSV Roadvolgt dat op twee manieren voldaan kan zijn aan de voorwaarde dat goederen en diensten worden gebruikt voor de belaste handelingen van een belastingplichtige. In de eerste plaats is dat het geval als de kosten voor de goederen of diensten zijn opgenomen in de prijs van bijzondere handelingen in een later stadium. De kosten zijn in dat geval rechtstreeks en onmiddellijk toerekenbaar aan latere specifieke belaste handelingen. [27] In de tweede plaats is aan de voorwaarde voldaan als de kosten zijn opgenomen in de prijs van de door de belastingplichtige in het kader van zijn economische activiteiten geleverde goederen of verrichte diensten. Het gaat dan derhalve om algemene kosten die worden gemaakt in het kader van de gehele economische activiteit van de belastingplichtige.
DSV Roadgaat het om een vervoerder van de ingevoerde goederen. De vervoerder van goederen gebruikt deze goederen niet voor zijn belaste activiteiten in de zin van artikel 168(e) Btw-richtlijn, omdat de waarde ervan niet is opgenomen in de prijzen die hij berekent voor het vervoer van goederen. Het HvJ overweegt in punt 50:
middel IVfaalt.
5.Slotsom
middel Iterecht is voorgesteld. Dit leidt mijns inziens niet tot cassatie omdat de (eind)beslissing van het Hof dat belanghebbende geen recht op aftrek heeft juist is, wat er zij van de gebezigde gronden. De Hoge Raad kan de uitspraak van het Hof onder verbetering van de gronden bevestigen.