ECLI:NL:HR:2021:522
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek lijfrentepremies bij wederzijdse stortingen en geldlening
De zaak betreft een geschil over de aftrek van premies voor lijfrenten door de erfgenamen van erflater, die in 2012 zijn onderneming overdroeg aan een BV en daarbij lijfrenten bedong voor stakingswinst en fiscale oudedagsreserves.
Erflater stortte een bedrag als lijfrentepremie op de BV, die vrijwel direct hetzelfde bedrag terugstortte als lening. Het Hof kwalificeerde deze wederzijdse transacties als het schuldig blijven van lijfrentepremies, waardoor aftrek volgens artikel 3.130, lid 1, Wet IB 2001 niet mogelijk is.
De Hoge Raad bevestigt deze fiscale kwalificatie en wijst het cassatieberoep af. De Hoge Raad verwijst naar een eerdere uitspraak met vergelijkbare overwegingen en ziet geen aanleiding om de proceskosten aan belanghebbenden toe te rekenen.
De uitspraak onderstreept de grenzen van aftrekbaarheid van lijfrentepremies bij transacties die economisch gezien neerkomen op het schuldig blijven van premies, ook als de schuld rentedragend is en zakelijk lijkt.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de fiscale kwalificatie van het schuldig blijven van lijfrentepremies bevestigd.