ECLI:NL:HR:2021:452
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Toerekening van vermogen van Liechtensteinse stichting aan erfgenamen voor inkomstenbelasting
De zaak betreft een beroep in cassatie van belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag over de aan haar opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2013. De kern van het geschil is of 25 procent van het vermogen van een in Liechtenstein opgerichte stichting (Stiftung) aan belanghebbende kan worden toegerekend op grond van artikel 2.14a Wet IB 2001.
De stichting werd in 2007 opgericht door de vader van belanghebbende, die in 2012 overleed. De stichting bezit aandelen in Nederlandse vennootschappen en een beleggingsportefeuille. De Inspecteur rekent 25 procent van het vermogen van de stichting toe aan belanghebbende, wat het belastbare inkomen in box 3 verhoogt.
Het Hof oordeelde dat de stichting een afgezonderd particulier vermogen is en dat de toerekening aan de erfgenamen, waaronder belanghebbende, terecht is. Het Hof verwierp ook het verweer dat artikel 2.14a Wet IB 2001 in strijd is met EU-rechten of het EVRM. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verklaart het cassatieberoep ongegrond.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigt hiermee de rechtmatigheid van de heffing en de toepassing van het APV-regime op de stichting.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de toerekening van het vermogen van de Stiftung aan belanghebbende bevestigd.