ECLI:NL:HR:2021:367
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toerekening van vermogen Liechtensteinse stichting aan erfgenamen
De zaak betreft de fiscale behandeling van een Liechtensteinse stichting (Stiftung) die aandelen houdt in Nederlandse vennootschappen en een beleggingsportefeuille beheert. De vader van belanghebbende richtte de stichting op en overleed in 2012. De Inspecteur rekende een deel van het vermogen van de stichting toe aan belanghebbende als erfgenaam en belastte uitkeringen voor werkzaamheden als inkomen uit werk en woning.
Het Hof Den Haag oordeelde dat de betalingen voor werkzaamheden terecht in box 1 werden belast en dat de stichting een afgezonderd particulier vermogen (APV) is dat volgens artikel 2.14a Wet IB 2001 aan de erfgenamen wordt toegerekend. Het Hof verwierp ook de bezwaren dat deze regeling in strijd zou zijn met EU-verkeersvrijheden of het EVRM.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof. Het vermogen van de stichting is discretionair en niet non-discretionair omdat begunstigden geen concreet juridisch afdwingbaar recht op het vermogen hebben. De regeling is niet in strijd met EU-rechten of het EVRM. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Hof blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof bevestigd.