ECLI:NL:HR:2021:1683

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 november 2021
Publicatiedatum
12 november 2021
Zaaknummer
20/03235
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslagen loonheffingen

Belanghebbende, voorheen bekend als [A] B.V., stelde beroep in cassatie in tegen het oordeel van het Gerechtshof Den Haag inzake opgelegde naheffingsaanslagen loonheffingen over de jaren 2012 en 2013, inclusief de daarbij behorende heffings- en belastingrente.

Eerder had de Hoge Raad bij arrest van 12 juli 2019 de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam vernietigd en de zaak verwezen naar het Hof Den Haag voor verdere behandeling. In het huidige geding heeft belanghebbende meerdere middelen voorgesteld, waarop de Staatssecretaris van Financiën heeft gereageerd.

De Advocaat-Generaal concludeerde tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie uiteindelijk ongegrond verklaard, waarbij zij zich heeft gebaseerd op de motivering van een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2021:1595).

De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en heeft het arrest in openbaar uitgesproken op 12 november 2021, waarbij de vice-president Koopman als voorzitter en vier raadsheren het arrest hebben gewezen.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende is ongegrond verklaard en de naheffingsaanslagen loonheffingen zijn bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/03235
Datum12 november 2021
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. voorheen [A] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 11 augustus 2020, nrs. BK-19/00467 en BK-19/00468, betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de loonheffingen over de tijdvakken 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 en 1 december 2013 tot en met 31 december 2013 en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente en belastingrente.

1.Het eerste geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2019, nr. 18/00953, ECLI:NL:HR:2019:1196, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, nrs. 16/00429 en 16/00430, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.J.F. Stormmesand, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 21 juni 2021 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [1]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 20/03229 (ECLI:NL:HR:2021:1595), waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, M.T. Boerlage en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2021.