ECLI:NL:HR:2021:1207

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 augustus 2021
Publicatiedatum
6 augustus 2021
Zaaknummer
20/03954
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond in douanerechtzaak

Belanghebbende, een bedrijf gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over een uitnodiging tot betaling van douanerechten. Na eerdere cassatieprocedures waarbij uitspraken van het Gerechtshof Amsterdam werden vernietigd en de zaak werd terugverwezen, diende belanghebbende een nieuw cassatieberoep in tegen een uitspraak van het hof van 27 oktober 2020.

De Hoge Raad heeft het middel van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat dit niet leidt tot vernietiging van het hofuitspraak. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om inhoudelijk op de rechtsvragen in te gaan, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Er is geen veroordeling in proceskosten opgelegd. Het arrest is op 6 augustus 2021 in het openbaar gewezen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad. Hiermee is het cassatieberoep ongegrond verklaard en blijft de uitspraak van het hof in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende is ongegrond verklaard en de uitspraak van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/03954
Datum6 augustus 2021
ARREST
in de zaak van
[X] LTD. te [Z], Verenigd Koninkrijk, (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 27 oktober 2020, nr. 19/00225, betreffende een aan belanghebbende uitgereikte uitnodiging tot betaling van douanerechten.

1.Het eerste en tweede geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 4 december 2015, nr. 12/02876, ECLI:NL:HR:2015:3467, is vernietigd de uitspraak van het Hof van 10 mei 2012, nr. 10/00636, met verwijzing van het geding naar hetzelfde gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest. Bij arrest van de Hoge Raad van 15 februari 2019, nr. 18/00958, ECLI:NL:HR:2019:164, is vernietigd de uitspraak van het Hof van 30 januari 2018, nr. 15/00859, met verwijzing van het geding naar hetzelfde gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het derde geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door R.M.P.G. Niessen-Cobben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft het middel over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat dit middel niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2021.