Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Roosendaal,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep
5.Beslissing
29 mei 2020.
Hoge Raad
Deze zaak betreft de beoordeling van de motiveringseisen die gelden bij de vaststelling van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:683 lid 3 BW Pro na een ontslag op staande voet. De werknemer, werkzaam als chauffeur via een payroll-overeenkomst, werd op staande voet ontslagen wegens vermeende werkweigering en niet nakomen van verplichtingen, terwijl hij arbeidsongeschikt was.
Het hof oordeelde dat het ontslag onterecht was en kende een billijke vergoeding toe van € 15.000,--. De Hoge Raad stelt vast dat het hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in de motivering van de hoogte van deze vergoeding, met name hoe het hof is gekomen van een loonderving van bijna € 35.000,-- tot een vergoeding van € 15.000,--, en dat relevante omstandigheden zoals de duur van het dienstverband niet zijn meegewogen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling en beslissing. Tevens veroordeelt de Hoge Raad partijen in de kosten van het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onvoldoende motivering van de billijke vergoeding en verwijst de zaak voor verdere behandeling.