ECLI:NL:HR:2020:828
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J. Koopman
- E.N. Punt
- P.M.F. van Loon
- L.F. van Kalmthout
- E.F. Faase
- Rechtspraak.nl
Berekening kleinschaligheidsinvesteringsaftrek bij samenwerkingsverbanden in vennootschap onder firma
Belanghebbende, samen met zijn echtgenote vennoot in een vennootschap onder firma (vof), maakte aanspraak op de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) over de investeringen in 2016. De Rechtbank Den Haag had de KIA berekend over het totale investeringsbedrag van de vof en dit bedrag verdeeld over de vennoten. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze berekening.
De Hoge Raad bevestigde dat iedere vennoot wordt geacht een eigen onderneming te drijven en dat de winstberekening per vennoot plaatsvindt. Voor de KIA geldt dat de investeringen van het samenwerkingsverband worden samengevoegd en dat de KIA wordt berekend alsof de onderneming voor rekening van één belastingplichtige wordt gedreven. Vervolgens wordt de KIA naar evenredigheid van de eigen investeringen toegerekend aan de vennoot.
De Hoge Raad oordeelde dat de methode van de Rechtbank, hoewel niet strikt juist geformuleerd, in de praktijk leidt tot dezelfde uitkomst. De KIA van belanghebbende werd vastgesteld op € 6.670, gelijk aan het door de Rechtbank berekende bedrag, en het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van artikel 3.41 en 3.44 Wet IB 2001 bij samenwerkingsverbanden en bevestigt de systematiek van proportionele toerekening van de KIA binnen een vof.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de berekening van de KIA door de Rechtbank.