Uitspraak
1.Geding in cassatie
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Aangezien deze conclusie bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.
Hoge Raad
In deze zaak stond het beroep in cassatie centraal tegen uitspraken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de Rechtbank Gelderland over door belanghebbende betaalde belasting op personenauto’s en motorrijwielen.
Belangrijke punten betroffen de redelijke termijn van berechting en de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding daarvan. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte had geoordeeld over de verknochtheid van zaken en dat de vergoeding van immateriële schade moest worden verhoogd tot in totaal €2.500.
Daarnaast bepaalde de Hoge Raad dat wettelijke rente over deze vergoeding vanaf vier weken na de uitspraak van de betreffende rechter moet worden vergoed. Ook werd geoordeeld dat wettelijke rente over het griffierecht moet worden toegekend indien de vergoeding daarvan niet tijdig plaatsvindt.
De Hoge Raad vernietigde de eerdere uitspraken voor zover het de vergoeding van immateriële schade en rente betreft, en veroordeelde de Staat tot betaling van het griffierecht en de proceskosten in cassatie.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van wettelijke rente en de vergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn in bestuursrechtelijke belastingzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad verhoogt de vergoeding van immateriële schade tot €2.500 en bepaalt dat wettelijke rente vanaf vier weken na uitspraak verschuldigd is, en veroordeelt de Staat tot betaling van griffierecht en proceskosten.