ECLI:NL:HR:2019:570

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2019
Publicatiedatum
11 april 2019
Zaaknummer
18/01391
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 843a Rv
Verwijzingen
6 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vordering tot afgifte bankrekeningafschriften bij onrechtmatige daad

In deze zaak vordert Brachium B.V. in cassatie tegen de Provincie Gelderland de afgifte van bankrekeningafschriften. De vordering is gebaseerd op het vermoeden van een rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad, specifiek wegens selectieve betaling.

De procedure doorliep de voorzieningenrechter en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarbij laatstgenoemde het verzoek van Brachium heeft afgewezen. Brachium stelde dat zij een rechtmatig belang had bij de afgifte van de bankafschriften om haar vordering te onderbouwen.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie (HR 13 november 2015 en HR 9 december 2016) over de maatstaf voor het aannemen van een rechtsbetrekking en het vereiste rechtmatig belang bij een vordering tot afgifte van bankafschriften. De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van Brachium niet leiden tot cassatie en verwerpt het beroep zonder nadere motivering.

De Hoge Raad veroordeelt Brachium tevens in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee wordt bevestigd dat een vordering tot afgifte van bankafschriften slechts kan slagen indien er een voldoende aannemelijk rechtmatig belang bestaat, hetgeen in deze zaak niet is vastgesteld.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Brachium wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

12 april 2019
Eerste Kamer
18/01391
TT/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
BRACHIUM B.V., voorheen [Brachium] ,
gevestigd te Arnhem,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. T.T. van Zanten,
t e g e n
PROVINCIE GELDERLAND,
zetelende te Arnhem,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaten: mr. J.W.H. van Wijk en
mr. G.C. Nieuwland.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Brachium en de Provincie.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/05/308553/KG ZA 16-430 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland van 2 december 2016;
b. het arrest in de zaak 200.206.944 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 februari 2018.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft Brachium beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Provincie heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Brachium mede door mr. M.E. ten Brinke.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van Brachium heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Brachium in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Provincie begroot op € 865,34,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Brachium deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
12 april 2019.