Belanghebbende, [Z], heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 13 februari 2018, betreffende een beschikking op een verzoek om terugbetaling van douanerechten. Eerder had de Hoge Raad bij arrest van 14 juli 2017 de uitspraak van het hof vernietigd en de zaak terugverwezen voor verdere behandeling.
In het tweede cassatiegeding heeft belanghebbende diverse klachten aangevoerd, waarop de Staatssecretaris van Financiën heeft gereageerd met een verweerschrift. Na behandeling concludeerde de Hoge Raad dat de klachten niet tot cassatie konden leiden, omdat zij geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad besloot het beroep in cassatie ongegrond te verklaren en zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 22 februari 2019.