Uitspraak
zetelende te Den Haag,
gevestigd te Maidenhead, Berkshire, Verenigd Koninkrijk,
2.Beoordeling van de incidentele vordering tot voeging
3.Beslissing
15 november 2019.
Hoge Raad
In deze procedure staat centraal de vraag of het Zorginstituut Nederland zich in cassatie mag voegen aan de zijde van de Staat in een geschil tussen Biogen en de Staat over de Regeling van 27 juni 2018. Deze regeling betreft de opname en clustering van geneesmiddelen in het Geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS), waarbij Biogen stelt dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld.
Het Zorginstituut beroept zich op zijn wettelijke adviestaak op grond van artikel 2.50 lid 4 van de Regeling zorgverzekering (Rzv), die ziet op de opname en clustering van geneesmiddelen in het GVS. De Hoge Raad overweegt dat het Zorginstituut belang heeft bij voeging omdat een ongunstige uitkomst voor de Staat ook nadelige feitelijke en juridische gevolgen kan hebben voor het Zorginstituut, mede vanwege zijn rol bij het ontwikkelen van beleid en beoordelingsmethodieken omtrent het verzekerd pakket.
De Hoge Raad bevestigt dat het Zorginstituut, gelet op zijn wettelijke taken uit de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Rzv, een voldoende belang heeft om zich te voegen bij de Staat. De vordering tot voeging wordt daarom toegewezen. Daarnaast wordt Biogen veroordeeld in de kosten van het incident en wordt de zaak verwezen naar de rol voor verdere voortzetting van de procedure.
Uitkomst: Het Zorginstituut wordt toegelaten tot voeging aan de zijde van de Staat in de cassatieprocedure.