Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beoordeling van het eerste middel
5.Slotsom
6.Beslissing
24 april 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake poging zware mishandeling. Verdachte had op 20 april 2015 te Aardenburg met een gebalde vuist krachtig tegen het gezicht van het slachtoffer geslagen, wat resulteerde in fracturen aan de oogkas en het neusbot.
Het hof stelde vast dat verdachte, een grote man met bokservaring, gericht en met kracht had geslagen, en concludeerde dat sprake was van voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel. Dit oordeel werd door de Hoge Raad niet onjuist bevonden en voldoende gemotiveerd geacht.
Daarnaast klaagde verdachte over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De Hoge Raad achtte deze klacht gegrond en besloot de opgelegde gevangenisstraf te verminderen met drie maanden.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafduur, stelde de straf vast op twee maanden en drie weken gevangenisstraf, en verwierp het cassatieberoep voor het overige.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt voorwaardelijk opzet en vermindert gevangenisstraf tot twee maanden en drie weken wegens termijnoverschrijding.