Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
30 januari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie van het Openbaar Ministerie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin het OM niet-ontvankelijk werd verklaard in de vervolging van een verdachte die een handelsvoorraad van bijna 7,5 kg hennep aanhield voor zijn coffeeshop.
Het hof oordeelde dat de verdachte op grond van de Aanwijzing Opiumwet gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat hij niet vervolgd zou worden voor het aanhouden van deze voorraad, omdat het lokale bestuur dit gedoogde en er geen gezamenlijk beleid was tussen het OM en het lokale bestuur over het zogenoemde achterdeurbeleid.
De Hoge Raad stelt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, met name omdat de Aanwijzing Opiumwet een verbod bevat op handelsvoorraden boven 500 gram. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling door het hof.
De uitspraak benadrukt het belang van het opportuniteitsbeginsel en de grenzen van gerechtvaardigd vertrouwen in vervolgingsbeslissingen binnen het gedoogbeleid voor coffeeshops.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.