Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het derde middel
2.637,97 +
4.Beslissing
30 oktober 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een betrokkene tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd bevolen. De betrokkene was veroordeeld voor hennepteelt en gekwalificeerde diefstal van elektriciteit.
De Hoge Raad oordeelt dat het middel dat zich richt tegen de bewezenverklaring in de hoofdzaak niet ontvankelijk is als middel in de ontnemingszaak. De Hoge Raad benadrukt dat een ontnemingsuitspraak pas ten uitvoer kan worden gelegd nadat de veroordeling in de hoofdzaak in kracht van gewijsde is gegaan. Tevens kan de rechter het te betalen bedrag verminderen of kwijtschelden.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van het financieel onderzoek, de aantallen hennepplanten, oppervlakte en energiekosten voldoende heeft gemotiveerd. De berekening van het voordeel bedroeg €45.407,66, gebaseerd op twee oogsten en aftrek van kosten.
Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie over de procedurele positie van het Openbaar Ministerie en betrokkene in ontnemingszaken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op €45.407,66 heeft vastgesteld, blijft in stand.