Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
13 februari 2018.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of het betreden van het balkon van de flatwoning van verdachte door opsporingsambtenaren, via het balkon van de naastgelegen woning, kan worden aangemerkt als binnentreden in de woning in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden (Awbi). Verdachte werd verdacht van het aanwezig hebben van 73 hennepplanten in zijn woning.
De feiten waren dat op 17 december 2014 door de Sociale Dienst een hennepkwekerij in aanbouw werd aangetroffen in de woning van verdachte. Op 5 februari 2015 betraden opsporingsambtenaren zonder machtiging het balkon van verdachte via het balkon van de buurwoning en zagen door een kier in de gordijnen een afzuigslang die kenmerkend is voor hennepkwekerijen. Later die dag betraden zij de woning met een machtiging en troffen de hennepkwekerij aan.
Het hof oordeelde dat het balkon niet als onderdeel van de woning kan worden beschouwd, omdat het niet behoort tot de besloten ruimten die binnenshuis gemeenschap hebben met de woning. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel, verwijzend naar de totstandkomingsgeschiedenis van de Awbi en de feitelijke omstandigheden. Hierdoor was het betreden van het balkon niet onrechtmatig en was het bewijs verkregen via dat balkon toelaatbaar.
Het middel van cassatie van verdachte faalde en het beroep werd verworpen. De Hoge Raad handhaafde daarmee het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 2 september 2016.
Uitkomst: Het betreden van het balkon via het balkon van de buurwoning is geen binnentreden in de woning, waardoor het bewijs toelaatbaar is en de veroordeling blijft staan.