Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
18 april 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een strafrechtelijke procedure tegen een verdachte die wordt beschuldigd van seksueel binnendringen van een slachtoffer dat zich in een staat van verminderd bewustzijn bevond. Het incident vond plaats tijdens een feestje waar het slachtoffer ernstig ziek werd en meerdere keren om medische hulp vroeg. De verdachte heeft ondanks deze toestand seksuele handelingen verricht.
Het hof Amsterdam heeft de verdachte schuldig bevonden op grond van bewijs waaronder verklaringen van het slachtoffer, getuigenverklaringen en de eigen verklaring van de verdachte. Het hof oordeelde dat het slachtoffer in een verminderde bewustzijnstoestand verkeerde en dat de verdachte hiervan op de hoogte was.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat het slachtoffer in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde en dat de verdachte daarvan wist. De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat het oordeel voldoende gemotiveerd en begrijpelijk was, mede gelet op de wetsgeschiedenis en het bewijsmateriaal.
De Hoge Raad verwierp het middel en bevestigde het arrest van het hof. Daarmee blijft de bewezenverklaring van seksueel binnendringen met kennis van verminderd bewustzijn van het slachtoffer in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bewezenverklaring dat verdachte seksueel binnendringen pleegde terwijl het slachtoffer in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde en dat verdachte hiervan op de hoogte was.