Belanghebbende, gehuwd met [X], werd geconfronteerd met een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 2001, opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn. De Inspecteur had eerder aan de echtgenoot navorderingsaanslagen opgelegd over 1995 en 1996, waartegen bezwaar was gemaakt en gemotiveerd. Het Hof Den Haag oordeelde dat het wachten op de bezwaarbeslissing tegen de aanslagen van de echtgenoot geen onredelijke vertraging opleverde en dat de navorderingsaanslag aan belanghebbende voortvarend was opgelegd.
De Hoge Raad stelt dat de Inspecteur niet zonder meer mag wachten op de bezwaarbeslissing tegen de aanslagen van de echtgenoot om vervolgens de navorderingsaanslag aan belanghebbende op te leggen, zeker niet als daardoor een periode van meer dan zes maanden aan onverklaarbare vertraging ontstaat. De vereiste voortvarendheid is niet nageleefd, waardoor de navorderingsaanslag, boetebeschikking en beschikking inzake heffingsrente niet in stand kunnen blijven.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond, vernietigt het arrest van het Hof en de uitspraken op bezwaar, en gelast vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende. Hiermee wordt de Inspecteur teruggefloten op het punt van tijdige en voortvarende belastingheffing bij navordering.