Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 7 december 2016, waarin het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Rotterdam werd behandeld over de aan hem in rekening gebrachte kosten van vervolging.
De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was geen nadere motivering vereist, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarnaast heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het beroep in cassatie is daarom ongegrond verklaard.
Het arrest is op 15 september 2017 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Wortel, Groeneveld en Beukers-van Dooren.