Uitspraak
1. Geding in cassatie
2. Beoordeling van de middelen
3. Beslissing
17 november 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of het kantooradres van een advocaat, vermeld in een bijzondere schriftelijke volmacht, kan worden aangemerkt als een adres in de zin van artikel 588a, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), waar mededelingen over de strafzaak aan kunnen worden toegezonden. De verdachte was in hoger beroep bij verstek veroordeeld wegens verduistering. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat de verdachte niet was verschenen.
De Hoge Raad stelde vast dat het kantooradres van de advocaat in de volmacht niet als een dergelijk adres kan gelden, behoudens in het uitzonderlijke geval dat de verdachte niet in het bevolkingsregister is ingeschreven, niet gedetineerd is, en geen bekend woon- of verblijfadres in Nederland of het buitenland heeft. In dat geval moet de dagvaarding aan het kantooradres van de advocaat worden verzonden om het aanwezigheidsrecht van de verdachte te waarborgen.
Verder benadrukte de Hoge Raad dat een schriftelijke volmacht tot het instellen van een rechtsmiddel niet automatisch betekent dat de advocaat ook als raadsman bij de verdere behandeling optreedt. De appelakte waarin de advocaat het rechtsmiddel instelde, is niet voldoende om te concluderen dat de advocaat de verdachte bijstaat in de procedure.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat het kantooradres van de advocaat in dit geval niet als adres in de zin van art. 588a Sv kan gelden en dat het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk werd verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hoger beroep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens verstek.