De zaak betreft een geschil over de aftrek van omzetbelasting door de gemeente Woerden op de bouw van multifunctionele gebouwen waarvan een deel bestemd is voor scholen. De gemeente leverde deze gebouwen tegen een vergoeding lager dan de kostprijs aan een stichting, die delen daarvan om niet ter beschikking stelde voor basisonderwijs en andere delen tegen vergoeding aan derden verhuurde.
Na een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie werd op 22 juni 2016 geoordeeld dat de gemeente recht heeft op volledige aftrek van de betaalde omzetbelasting, ongeacht het feit dat een gedeelte van het gebouw om niet wordt gebruikt. Dit oordeel vormde de basis voor de Hoge Raad om de eerdere uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam te vernietigen.
De Hoge Raad verklaarde het principale cassatieberoep van de gemeente gegrond en het incidentele beroep van de Staatssecretaris ongegrond. De naheffingsaanslag werd vernietigd en de gemeente werd in de proceskosten van zowel het cassatieproces als het hofproces in het voordeel van de gemeente veroordeeld. Tevens werden griffierechten aan de gemeente vergoed.
Deze uitspraak bevestigt het recht op volledige btw-aftrek bij levering van gebouwen tegen een vergoeding lager dan de kostprijs, ook indien delen van het gebouw om niet worden gebruikt, en benadrukt de bindende werking van prejudiciële beslissingen van het Hof van Justitie EU.