2.7.Het middel roept de vraag op vanaf wanneer het in voormeld arrest van de Hoge Raad van 22 december 2015 neergelegde recht op rechtsgeleerde bijstand tijdens verhoren door de politie geldt. De Hoge Raad heeft in voormeld arrest de regels betreffende rechtsbijstand aangescherpt, op de wijze en op de gronden zoals in dat arrest aangegeven. Anders dan het middel voorstaat, houdt voormeld arrest niet in dat de regels betreffende rechtsbijstand die de Hoge Raad in dat arrest heeft uiteengezet met terugwerkende kracht gelden. Dat een aangehouden verdachte het recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie, behoudens bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken, geldt voor toekomstige gevallen, dus vanaf het wijzen van het arrest op 22 december 2015. Uit rov. 6.4.2 van dat arrest volgt dat en waarom ten aanzien van een verzuim van zodanige verhoorbijstand in de periode van 22 december 2015 tot 1 maart 2016 bij wijze van overgangsrechtelijke regel niet het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting wordt verbonden.”
9. De klacht ontbeert mijns inziens reeds vanwege dat arrest van de Hoge Raad van 6 september 2016 enig belang.
10. Dat neemt evenwel niet weg dat ik over de eerste klacht, en dan toegespitst op de onderhavige zaak, nog wel iets wil opmerken. Blijkens de aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 juni 2015 gehechte pleitnota hield het betoog van de raadsvrouw, voor zover hier en ook alvast met het oog op de hierna volgende twee klachten van belang, het volgende in:
“III. Verhoor [verdachte]: uitsluiten
43. Het proces-verbaal van het politieverhoor van mijn cliënt (p. 40121 - 40175) dient te worden uitgesloten van de bewijsvoering. Ik verwijs naar punten 15 tot en met 37 van mijn pleitnota in eerste aanleg voor een nadere toelichting en onderbouwing van dit verweer (Productie 1). Samengevat komt dit op het volgende neer.
44. Ten eerste had mijn cliënt geen afstand mogen doen van zijn recht een advocaat te consulteren voor zijn verhoor, op basis van de destijds geldende jurisprudentie en richtlijn van het OM. Ten onrechte heeft de rechtbank dit verweer geïnterpreteerd als een beroep op de Aanwijzing bijstand bij politieverhoren (p. 8 vonnis). Het verweer gaat puur om de essentie van de Salduz- jurisprudentie. In r.o. 54 wordt deze mooi samengevat:
the Court underlines the importance of the investigation stage for the preparation of the criminal proceedings, as the evidence obtained during this stage determines the framework in which the offence charged will be considered at the trial (Can v. Austria, no. 9300/81, Commission's report of 12 July 1984, § 50, Series A no. 96). At the same time, an accused often finds himself in aparticularly vulnerable positionat that stage of the proceedings, the effect of which is amplified by the fact that legislation on criminal procedure tends to become increasingly complex, notably with respect to the rules governing the gathering and use of evidence. In most cases, this particular vulnerability can only be properly compensated for by the assistance of a lawyer whose task it is, among other things, to help to ensure respect of the right of an accused not to incriminate himself[onderstreping KF].
45. Dit beschermde belang is nu juist het in deze zaak geschonden belang. Overigens niet alleen voor cliënt - ook zijn medeverdachten en de als verdachte gekwalificeerde kooplieden hebben zonder een advocaat een verklaring afgelegd. Zij hebben achteraf aangegeven dat zij in hun kwetsbaarheid dingen hebben gezegd die zij niet zo hadden bedoeld, dat hen woorden in de mond zijn gelegd door de politie. Dit bevestigt het beeld dat cliënt van de betrokken verbalisanten heeft.
46. Mijn cliënt had voor en tijdens zijn verhoor de bijstand van een advocaat nodig, dat kunnen we inmiddels vaststellen. Mijn cliënt heeft bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris, ten overstaan van de reclassering, de psycholoog en ter zitting van de rechtbank herhaaldelijk verklaard dat hij niet achter de weergave van zijn verklaring staat, zoals uiteengezet door de politie. Het proces-verbaal vol staat met niet-lopende, niet-kloppende zinnen. Dit is kort na heenzending door de toenmalige advocaat van cliënt al in een brief uiteengezet (bijlage 1 bij requisitoir officier van justitie: brief mr. Farber, 5 februari 2010). In die brief staat wat er precies niet klopt in het proces-verbaal.”
11. In dit betoog gaat het om de consultatiebijstand en komt een beroep op het recht op verhoorbijstand niet of nauwelijks aan de orde. In punt 44 van de pleitnota zoals hierboven weergegeven, wordt ingegaan op het consultatierecht voor aanvang van het verhoor, terwijl in de punten 45 en 46 enkel wordt gesteld dat de verdachte voor en tijdens zijn verhoor de bijstand van een advocaat nodig had omdat de verdachte en de medeverdachten “in hun kwetsbaarheid dingen hebben gezegd die zij niet zo hadden bedoeld, dat hen woorden in de mond zijn gelegd door de politie”.
12. In punt 43 wordt voor een nadere toelichting en onderbouwing van het verweer van de raadsvrouw verwezen naar de punten 15 tot en met 37 van haar pleitnota in eerste aanleg. Ik zal niet al die punten hieronder herhalen, maar op de eerste drie daarvan wil ik voor de volledigheid wel wijzen, nu zij het fundament leggen voor het verdere pleidooi dat in eerste aanleg werd gehouden:
“III. Verhoor [verdachte]: uitsluiten
15. Cliënt had geen rechtsbijstand tijdens het politieverhoor terwijl hij daar recht op had en het wenste. Het verhoor begint met de mededeling "U heeft het recht om eerst met uw advocatenals u dat wenst", waarop [verdachte] zegt: "Ik zou niet weten wat ik met een advocaat zou moeten bespreken en daarom heb ik geen bezwaar tegen het starten van het verhoor." Hieruit blijkt dat hij zich niet heeft gerealiseerd wat dat recht precies inhield en dat de recherche hem daar ook onvoldoende op heeft gewezen. Eigenlijk gaf hij aan dat hij zelfs niet wist waar het over ging. Toch ving het verhoor aan. Dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting.
16. Aan het einde van de eerste dag zei [verdachte] op de vraag "Maar ik wil graag dat je nu openheid van zaken geeft. Alleen over jouw rol": "Nee, ik wil eerst weten wat er allemaal is. Ik wil met mijn advocaat praten" (p. 40134). Nog een duidelijk signaal waaruit blijkt dat [verdachte] niet wist wat een advocaat voor hem kon doen, wat zijn rechten waren.
17. Een dag later zegt [verdachte] weer dat hij met zijn advocaat wil praten: "Ik wil nu met mijn advocaat praten en dan komen we er wel uit". Politie: "Dat heb je gisteren ook gezegd en toen vroeg je om concrete dingen. Die geef ik je nu en dan zeg je weer dat je met je advocaat wilt praten. Het mag en het is je recht maar dat had je gisteren ook al kunnen doen". Waarop [verdachte] zegt: "Toen was hij zo weer weg. Hij zei dat hij twee uur had zitten wachten". [verdachte] zei dat de advocaat in kwestie eigenlijk niet veel had gezegd behalve dat hij ervan uitging dat hij zo weer vrijgelaten zou worden omdat het verhoor al achter de rug was. Met andere woorden: het is niet van een echte consultatie gekomen omdat de advocaat niet werd toegelaten.”
13. De conclusies die de raadsvrouw blijkens de geciteerde passages te dezen maakt, gaan gepaard met wel heel grote stappen. Dat de verdachte niet wist waar het over ging, blijkt nergens uit. Hetzelfde geldt voor de opmerking dat het de dag ervoor niet van een echte consultatie is gekomen omdat de advocaat niet werd toegelaten. Het heeft er veeleer de schijn van dat de advocaat na twee uur te hebben gewacht geen tijd meer had om nog langer te wachten en naar elders moest.
14. Verder wijs ik erop dat het hof feitelijk en niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachten voorafgaand aan elk politieverhoor zijn gewezen op hun recht om geen vragen te beantwoorden en daarnaast tijdig gebruik hebben kunnen maken van hun recht om een advocaat te raadplegen.
15. Tot slot een punt dat in de toelichting op het middel in zoverre als ten overvloede wordt aangekaart: inderdaad kan het oordeel van het hof dat geen sprake is van een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv naar geldend recht niet (meer) als juist worden aanvaard. Maar – het zij eveneens ten overvloede gezegd – gelet op het arrest van de Hoge Raad van 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2018 en meer in het bijzonder de herhaling daarin van de hierboven in randnummer 8 weergegeven overwegingen 6.4.2. en 6.4.3. uit HR 22 december 2015, ECLI:NL:2015:3608, zal deze constatering niet tot cassatie hoeven te leiden, nu het hof het beroep op bewijsuitsluiting slechts had kunnen verwerpen.Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachten tijdig gebruik hebben kunnen maken van hun recht om een advocaat te raadplegen, dat de medeverdachten voorafgaand aan hun eerste verklaring met hun raadslieden hebben kunnen spreken (en dit in de meeste gevallen hebben gedaan) en dat zij ook na het afleggen van de belastende verklaringen contact hebben gehad met hun raadslieden. Verder heeft te gelden dat naar het oordeel van de Hoge Raad art. 359a Sv niet uitsluit dat – afhankelijk van de omstandigheden van het geval –strafvermindering wordt toegepast dan wel wordt volstaan met de enkele vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan en dat bij het bepalen van de ernst van het verzuim in het bijzonder voorts van belang is of de verhorende opsporingsambtenaren redelijkerwijze mochten aannemen dat niet de gelegenheid behoefde te worden geboden tot het verlenen van rechtsbijstand tijdens het verhoor. Welnu, wat de onderhavige zaak betreft konden de verhorende verbalisanten in januari 2010 een aanscherping jaren later van de regels betreffende de rechtsbijstand in de hier bedoelde zin niet bevroeden. Deze hele zaak overziende, meen ik dat het hof dan zou hebben kunnen volstaan met de enkele vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim heeft plaatsgevonden. 16. Dan de tweede en de derde klacht, die beide voortborduren op hetgeen in de toelichting op het eerste middel naar voren is gebracht en zich – met een beroep op EHRM 12 januari 2016, appl.no. 37537/13 (Borg v. Malta) en de artikelen 47 en 48 EU Handvest van de Grondrechten (verder: EU Handvest) – keren tegen (i) het oordeel van het hof omtrent de Schutznorm en de derden-werking en (ii) ’s hofs bewijsvoering dienaangaande. Deze twee klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
17. In dit verband wordt in de toelichting op het middel de Straatsburgse uitspraak Borg tegen Malta aangehaald, omdat volgens de steller van het middel daaruit – en met name uit de “victim-status” die de klager in die zaak werd toegekend – volgt dat het EHRM de derden-werking van de Salduz-rechtspraak erkent. Voor zover in cassatie van belang, houdt de uitspraak in de zaak Borg tegen Malta het volgende in:
“1. ALLEGED VIOLATION OF ARTICLE 6 §§ 1 and 3 OF THE CONVENTION
(…)