Conclusie
eerste middelvalt uiteen in drie rechts- respectievelijk motiveringsklachten.
NJ2016/52 m.nt. Klip in dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat een verdachte geen recht heeft op de aanwezigheid van een raadsman tijdens het (politie)verhoor.
“Bespreking van de verweren
NJ2016/52 – met welk arrest het hof evenmin bekend kon zijn – neergelegde recht op rechtsgeleerde bijstand tijdens verhoren door de politie geldt (rov. 2.7):
A. Lack of legal assistance tot the applicant
Declares, unanimously, the complaint under Article 6 § 3 in conjunction with Article 6 § 1 about the lack of legal assistance to the applicant, that under Article 6 § 1 about the lack of legal assistance to third parties who were called as witnesses against the applicant in his criminal proceedings and that under Article 6 § 1 in respect of the constitutional proceedings admissible and the complaints under Article 6 § 1 in respect of the impartiality requirement, and Articles 13 and 14 in conjunction with Article 6 inadmissible;
Holds, unanimously, that there has been a violation of Article 6 § 3 in conjunction with Article 6 § 1 of the Convention;
Holds, unanimously, that there is no need to examine the merits of the complaint under Article 6 § 1 about the lack of legal assistance to third parties who were called as witnesses against the applicant in his criminal proceedings;
Decision of the Court
Article 6 § 3 in conjunction with Article 6 § 1 – lack of legal assistance
safety interviewsvan hen plaats. Noch voor aanvang, noch tijdens en direct na deze interviews werden advocaten bij de verdachten toegelaten. Informatie uit deze safety interviews waren voor het bewijs in de strafzaken gebruikt. Maar van schending van art. 6 EVRM Pro was geen sprake, zo oordeelde het Europees Hof. In een Vooraf in het NJB signaleert Taru Spronken onder veelzeggende kopjes als “EHRM relativeert Salduz-jurisprudentie” en “De teloorgang van de 'bright-line rule'”, dat het EHRM
in algemene overwegingen– dus niet alleen in het verband van de exceptionele omstandigheden van het geval – afstand neemt van de
bright-line ruledie uit zijn eerdere Salduz jurisprudentie spreekt. [6] Spronken benadrukt dat “ook als er géén sprake is van compelling reasons om contact met de advocaat uit te stellen, dat nog niet betekent dat daardoor zonder meer art. 6 EVRM Pro is geschonden”, waarbij zij verwijst naar (a) een tiental door het Europees Hof in de Ibrahim-uitspraak geformuleerde criteria “voor een totality-of- the- circumstances-test, waarin alle op het spel staande belangen worden betrokken” en (b) het oordeel van het Europees Hof dat ten aanzien van een drietal klagers art. 6 EVRM Pro niet geschonden is. Door de Ibrahim-uitspraak is “de in beginsel absolute regel die het EHRM constant heeft herhaald in zijn Salduz jurisprudentie, namelijk dat behoudens uitzonderlijke omstandigheden de rechten van de verdediging onomkeerbaar zijn geschonden als verklaringen van verdachten voor het bewijs worden gebruikt, terwijl zij geen toegang hebben gehad tot rechtsbijstand, gerelativeerd”, aldus Spronken. Aan deze duidelijke analyse van Spronken heb ik hier niet iets toe te voegen.
NJ2011/375 m.nt. Schalken en HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:741, in welke arresten de Hoge Raad heeft overwogen dat – ik zeg het in eigen bewoordingen – schending van de Salduz-norm ten aanzien van een medeverdachte als regel geen gevolg heeft voor de zaak van de verdachte; de Schutznorm staat daaraan in de weg. Het hof heeft in de bestreden uitspraak die lijn terecht gevolgd. Overigens kan het betoog van de steller van het middel met betrekking tot het EU Handvest en de EU Richtlijnen verder onbesproken blijven, nu de Hoge Raad in de twee eerder genoemde arresten van 22 december 2015 en 6 september 2016 de regels betreffende rechtsbijstand heeft aangescherpt, op de wijze en op de gronden zoals in die arresten aangegeven.
NJ2016/52 in aanmerking genomen:
tweede middelklaagt dat de bewezenverklaarde pleegperiode niet uit de bewijsmiddelen kan volgen. Subsidiair wordt geklaagd dat gezien de bewezenverklaarde periode van 1 april 2004 tot 11 januari 2010 het hof ten onrechte in de strafmaatmotivering heeft overwogen dat de verdachte gedurende ruim acht jaren als ambtenaar giften heeft aangenomen van marktkooplieden.
derde middelklaagt over de motivering van de bewezenverklaring, nu de bewijsmiddelen 12 en 14 verklaringen bevatten die het hof niet geloofwaardig heeft geacht.
vierde middelklaagt dat het hof in afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging dat de afgelegde verklaringen van de verdachte moeten worden uitgesloten van het bewijs omdat de verdachte voorafgaand aan het verhoor bij de politie niet is bezocht door een raadsman en evenmin tijdens dat verhoor door een raadsman werd bijgestaan.
vijfde middelbehelst de klacht dat gezien de bewezenverklaarde periode van 1 april 2004 tot 11 januari 2010 het hof ten onrechte in de strafmaatmotivering heeft overwogen dat de verdachte gedurende ruim acht jaren als ambtenaar giften heeft aangenomen van marktkooplieden.