Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
6 december 2016.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 6 december 2016 het cassatieberoep van de verdachte verworpen tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2015. De zaak betrof mensenhandel, waarbij verdachte werd verweten een vrouw uit Roemenië te hebben geworven, vervoerd en gehuisvest met het oogmerk haar seksueel uit te buiten.
Het hof had vastgesteld dat het slachtoffer bij aankomst in Nederland geen financiële middelen, geen woonruimte had en de Nederlandse taal niet machtig was, waardoor zij zich in een afhankelijke positie bevond ten opzichte van verdachte en zijn mededaders. Dit werd aangemerkt als misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie in de zin van art. 273f Sr.
De Hoge Raad herhaalde de vaste rechtspraak dat het niet vereist is dat het slachtoffer daadwerkelijk wordt uitgebuit; het oogmerk van uitbuiting volstaat. Het feit dat het slachtoffer niet het beoogde werk (prostitutie) heeft verricht, staat aan de bewezenverklaring niet in de weg. Het middel van de verdachte dat het hof een onjuiste uitleg gaf of onvoldoende motiveerde, werd verworpen. Daarmee bleef de veroordeling in stand.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat de bewezenverklaring toereikend was gemotiveerd. Het beroep in cassatie werd derhalve verworpen, waarmee het hofarrest werd bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor mensenhandel wegens misbruik van een kwetsbare positie en overwicht.