Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel en het vierde middel
3.Slotsom
4.Beslissing
7 juli 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt gepleegd in 2010.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan art. 36e, zevende lid, Sr, dat pas op 1 juli 2011 in werking trad, terwijl de feiten van vóór die datum dateren. Hierdoor is het gunstigere recht niet toegepast zoals vereist volgens art. 1, tweede lid, Sr.
Daarnaast bespreekt de Hoge Raad dat voor het opleggen van een hoofdelijke betalingsverplichting niet vereist is dat alle mededaders strafrechtelijk veroordeeld zijn, mits sprake is van gemeenschappelijk voordeel. Indien mededaders niet worden veroordeeld, kan de hoofdelijke betrokkene echter zijn regresrecht niet uitoefenen.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.