Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
26 mei 2015.
Hoge Raad
Op 9 februari 2010 schoot een politieambtenaar op twee inbrekers die via een gebroken glazen deur uit een winkelpand probeerden te vluchten. De verdachte schoot tweemaal, waarbij beiden gewond raakten. De rechtbank en het hof verwierpen het beroep op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer, omdat er geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat het hof niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat de inbrekers zo kort na het passeren van het gat in de deur werden neergeschoten dat zij niet in de richting van de verdachte bleven lopen, waardoor geen concrete dreiging bestond. Ook het beroep op putatief noodweer faalt, mede vanwege de 'Garantenstellung' van de verdachte als politieambtenaar, die meer zelfbeheersing en tactisch inzicht behoort te tonen.
De Hoge Raad wijst erop dat de verdachte tijd en gelegenheid had om afstand te creëren en alternatieve middelen te gebruiken, zoals pepperspray of het vragen van assistentie. Het beroep op noodweerexces wordt eveneens verworpen omdat geen sprake was van een verontschuldigbare dwaling of een hevige gemoedsbeweging die het handelen zou rechtvaardigen.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 7 maart 2014.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beroep op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer faalt.