ECLI:NL:PHR:2014:235

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 februari 2014
Publicatiedatum
1 april 2014
Zaaknummer
13/01762
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22d SrArt. 14g.1 SrArt. 14g.2 SrArt. 359 lid 2 SvArt. 61 lid 1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de last tot tenuitvoerlegging van taakstraf ter vervanging van voorwaardelijke vrijheidsstraf

Het Gerechtshof Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor poging tot diefstal en een gevangenisstraf van 30 dagen opgelegd, waarvan 20 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 40 uren met een subsidiaire hechtenis van 20 dagen. Daarnaast heeft het hof een last tot tenuitvoerlegging gegeven van een taakstraf van 30 uren met een subsidiaire hechtenis van 15 dagen ter vervanging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 weken.

Verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing. De Hoge Raad beoordeelde drie middelen van cassatie, waarbij de eerste twee middelen faalden omdat zij onvoldoende onderbouwd waren of niet als cassatiemiddel konden worden aangemerkt. Het derde middel betrof de vraag of de duur van de vervangende hechtenis de duur van de niet tenuitgevoerde straf mocht overschrijden.

De Hoge Raad concludeerde dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid om een vrijheidsstraf van langere duur op te leggen dan de niet tenuitgevoerde straf. Hoewel formeel gezien gevangenisstraf zwaarder is dan hechtenis, kan een vervangende hechtenis die langer duurt dan de oorspronkelijke straf als onbegrijpelijk worden beschouwd. In dit geval was het verschil slechts één dag, waardoor het middel faalde.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de last tot tenuitvoerlegging van de taakstraf niet in strijd is met de wet, maar dat de opgelegde vervangende hechtenis wel strijdig is met de wettelijke bepalingen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de last tot tenuitvoerlegging van de taakstraf niet in strijd is met de wet, maar dat de opgelegde vervangende hechtenis wel strijdig is.

Conclusie

Nr. 13/01762
Zitting: 4 februari 2014
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 18 maart 2013 verdachte wegens “poging tot diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig dagen met een voorwaardelijk gedeelte van twintig dagen met een proeftijd van twee jaar en tot een taakstraf voor de duur van veertig uren met een subsidiaire straf van twintig dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof ter zake van een vordering tot tenuitvoerlegging in plaats van een eerder aan verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken een taakstraf voor de duur van dertig uren met een subsidiaire straf van vijftien dagen hechtenis gelast.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld. [1]
3. Namens verdachte heeft mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Goirle, drie middelen van cassatie voorgesteld.

4.Het eerste en het tweede middel

4.1.
Over het eerste en het tweede middel kan ik kort zijn. Het eerste middel faalt, omdat het Hof het verweer van de raadsman dat het medeplegen enkel blijkt uit de verklaring van de verdachte zelf, niet had hoeven op te vatten als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv Pro. Voor zover het tweede middel, dat de niet nader toegelichte klacht bevat dat het bewezenverklaarde medeplegen “naar [verdachte] meent” niet uit de bewijsmiddelen volgt, als een middel van cassatie kan worden aangemerkt, faalt het eveneens.

5.Het derde middel

5.1.
Het middel klaagt dat het Hof ter zake van een vordering tot tenuitvoerlegging in plaats van een eerder aan verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken een taakstraf voor de duur van dertig uren met een subsidiaire straf van vijftien dagen hechtenis heeft gelast. Die subsidiaire straf van vijftien dagen zou zwaarder zijn dan de oorspronkelijke straf van twee weken omdat zij een vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt.
5.2.
Over de vraag of de duur van de vervangende hechtenis in geval van toepassing van art. 14g lid 2 Sr wordt gemaximeerd door de duur van de vrijheidsstraf waarvan de tenuitvoerlegging wordt gelast, heb ik in de wetsgeschiedenis, de jurisprudentie en de literatuur niets van belang gevonden. Het uitgangspunt waarop het middel berust, namelijk dat de in het kader van een vordering tenuitvoerlegging te geven last de voorwaardelijk opgelegde straf niet mag verzwaren, komt mij juist voor. Een andere vraag is of in dit geval van een dergelijke verzwaring sprake is. Gelet op art. 61 lid 1 jo Pro. art. 9 Sr Pro zou ik die vraag ontkennend willen beantwoorden. Gevangenisstraf geldt, ongeacht de duur daarvan, als zwaarder dan (vervangende) hechtenis.
5.3.
Deze formele benadering zal niet iedereen aanspreken. Ik merk daarom nog op dat ik me gevallen kan voorstellen waarin het verschil in duur tussen de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf en de vervangende hechtenis die wordt gelast zo groot is, dat de gegeven last als onbegrijpelijk moet worden aangemerkt. Een dergelijk geval doet zich hier, nu het verschil niet meer dan een dag bedraagt, echter niet voor.
5.4.
Het middel faalt.
6. De middelen falen. Het eerste en het tweede middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Deze zaak hangt samen met de onder nr. 13/01761 aanhangige zaak tegen dezelfde verdachte, in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.