Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
2 december 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 juni 2012. Het beroep in cassatie is namens de verdachte ingesteld door een griffiemedewerker van het Hof, maar niet door een medewerker van de griffie van het gerecht dat het bestreden arrest heeft gewezen, zoals vereist volgens art. 449 Sv Pro.
De verdachte was verschenen bij de terechtzitting van het Hof, waardoor op grond van art. 432.1 aanhef en onder b Sv het beroep niet-ontvankelijk is. De Hoge Raad bevestigt hiermee zijn eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2014:856).
Hoewel de raadsman van de verdachte binnen de cassatietermijn een volmacht aan de griffie van het Hof heeft gezonden, werd deze volmacht niet als een juiste stelbrief voor de cassatieprocedure bij de Hoge Raad beschouwd. De Hoge Raad heeft de zaak niet-ontvankelijk verklaard en het arrest uitgesproken op 2 december 2014.
Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het ontbreken van een juiste volmacht en het niet voldoen aan art. 432.1 Sv.