ECLI:NL:HR:2013:BZ1294
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- G. de Groot
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over vermogensrecht belang bij Liechtensteinse Stiftung voor inkomstenbelasting
Belanghebbende kreeg navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd over 2002 en 2003, deels verminderd na bezwaar. Zowel belanghebbende als de Inspecteur stelden hoger beroep in tegen de rechtbankuitspraak die de aanslagen verder verminderde. Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank deels en bevestigde de aanslag over 2003. Belanghebbende stelde cassatieberoep in.
De zaak draaide om de vraag of belanghebbende als begunstigde van een Liechtensteinse Stiftung een vermogensrecht had met economische waarde volgens artikel 5.3, lid 2, letter f, Wet IB 2001. Het hof oordeelde dat de vader van belanghebbende, oprichter van de Stiftung, het economische belang en feitelijke beschikkingsmacht behield en dat na zijn overlijden dit belang overging op de erfgenamen, waaronder belanghebbende.
De Hoge Raad bevestigde dat belanghebbende een vermogensrecht had, maar corrigeerde de vaststelling van de rendementsgrondslag voor 2003. Omdat het recht op het vermogen pas na het overlijden van de vader ontstond, kon de waarde aan het begin van 2003 niet worden meegenomen. De rendementsgrondslag werd daarom gehalveerd, wat leidde tot een vermindering van het belastbaar inkomen en de aanslag. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de kosten van het cassatieproces.
Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting over 2003 wordt verminderd op basis van een correcte rendementsgrondslag van €335.072.