Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Ontvankelijkheid
4.Beoordeling van het middel
5.Beslissing
31 januari 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen een werkneemster en haar voormalige werkgever, de Stichting, waarbij de bedrijfsarts als getuige werd opgeroepen. De werkneemster stelde dat de bedrijfsarts onjuist had geadviseerd over het nemen van deeltijdontslag tijdens ziekte en dat hij haar zonder deugdelijk onderzoek had hersteld verklaard. De bedrijfsarts weigerde echter te antwoorden op vragen met een beroep op zijn functioneel verschoningsrecht.
Het hof had dit beroep afgewezen, stellende dat de geheimhoudingsplicht van de bedrijfsarts niet absoluut is en dat de vragen vielen onder de uitzondering van art. 14 lid Pro 7 Arbeidsomstandighedenwet, die het beroepsgeheim beperkt tot noodzakelijke gegevens voor verzuimbegeleiding en re-integratie. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom alle gevraagde gegevens onder deze uitzondering vallen en dat het hof onjuiste rechtsopvattingen hanteerde bij de belangenafweging.
Daarnaast stelde de Hoge Raad dat het hof het onmiddellijkheidsbeginsel heeft geschonden door de behandeling van het verschoningsrechtincident niet mondeling te laten plaatsvinden ten overstaan van de meervoudige kamer die het arrest uitbracht. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing, waarbij ook de kosten van het cassatiegeding aan de werkneemster worden opgelegd.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling vanwege schending van het onmiddellijkheidsbeginsel en onjuiste rechtsopvattingen over het verschoningsrecht.