Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2012:BX5578

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/01294
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 lid 4 WtbzArt. 29 lid 1 WgbzArt. 2 lid 1 WtbzArt. 3 leden 1 en 2 WgbzArt. 4 lid 2 Wgbz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad beslist over ontvankelijkheid en verschuldigdheid griffierecht bij verzet tegen dwangbevel

De Hoge Raad heeft op 2 november 2012 uitspraak gedaan over een verzet tegen een dwangbevel tot betaling van griffierechten. De opposant, een gewezen advocaat, was in verzet gekomen tegen de invordering van griffierechten die volgens hem onterecht waren opgelegd. De kern van het geschil betrof de ontvankelijkheid van het verzet en de verschuldigdheid van griffierechten wanneer een cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens niet-tijdige betaling.

De Hoge Raad kwam terug op een eerdere uitspraak uit 2005 en stelde dat het verzet op grond van de Wtbz en Wgbz een snelle en eenvoudige procedure is waarbij het verzoekschrift niet per se door een advocaat hoeft te worden ingediend. Dit betekent dat het verzet ontvankelijk is ondanks het ontbreken van een advocaatsteken.

Verder oordeelde de Hoge Raad dat het griffierecht verschuldigd blijft vanaf de eerste roldatum of zitting, ook als het cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens niet-tijdige betaling. Uitzonderingen gelden voor personen die onder de schuldsaneringsregeling vallen of in privé failliet zijn verklaard; in die gevallen is geen griffierecht verschuldigd.

De Hoge Raad verklaarde het verzet gegrond voor twee nota's waarop het griffierecht onterecht was gevorderd en verminderde de hoofdsom van het dwangbevel dienovereenkomstig. De uitspraak bevestigt de regels omtrent griffierechten en de procedure van verzet tegen dwangbevelen.

Uitkomst: Het verzet tegen het dwangbevel is gegrond verklaard voor twee nota's, waarbij de ontvankelijkheid van het verzet zonder advocaatsteken is bevestigd en de verschuldigdheid van griffierechten bij niet-ontvankelijkheid wegens niet-tijdige betaling is bevestigd met uitzondering van schuldsaneringsgevallen.

Uitspraak

2 november 2012
Eerste Kamer
12/01294
DV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
mr. P. Garretsen, voorheen kantoorhoudende te 's-Gravenhage,
OPPOSANT op de voet van art. 22 lid 4 Wet Pro tarieven in burgerlijke zaken (hierna: Wtbz) dan wel art. 29 lid 1 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken (hierna: Wgbz) tegen een beslissing van de Griffier van de Hoge Raad der Nederlanden,
advocaat: mr. J.C. Meijroos.
1. De feiten
Op 19 januari 2012 heeft de Griffier van de Hoge Raad een dwangbevel uitgevaardigd ten laste van de gewezen advocaat mr. P. Garretsen strekkende tot betaling van verschuldigde griffierechten volgens de nota's 92660.34961, 92650.44560, 92650.49480, 92650.49490, 92650.49500, 92650.49510, 92650.49520, 92650.49530, 92650.49540, 92650.49550, 92650.49580, 92650.49590, 92650.54190, 92650.54200, 92650.54210, 92650.54220, 92650.54280, 92650.54300, 92650.54343, 92660.02561, 92660.20199, 92660.33599, 92660.40730, 92660.49430, 92660.52850, 92660.54230, 92660.54620, 92660.55130, 92660.55140, 92660.06531, 92665.02370, 92660.50720.
Het dwangbevel strekt in totaal tot betaling van € 28.345,75 exclusief kosten en is betekend op 20 januari 2012.
Met een op 16 februari 2012 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen verzoekschrift is opposant op de voet van art. 22 lid 4 van Pro de Wtbz dan wel art. 29 lid 1 Wgbz Pro in verzet gekomen tegen dit dwangbevel.
De Griffier van de Hoge Raad heeft op 19 april 2012 een verweerschrift ingediend en verzocht het verzet ongegrond te verklaren.
Het verzoekschrift en het verweerschrift zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot gegrondverklaring van het verzet voor zover in het dwangbevel aanspraak wordt gemaakt op betaling van de nota's 92660.49430 en 92660.54230 en tot ongegrondverklaring van het verzet voor het overige.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzet
Op het verzet als bedoeld in art. 22, 24 en 25 Wtbz en art. 29 en Pro 30 Wgbz zijn, gelet op de aard van die procedure, de bepalingen van de verzoekschriftprocedure van titel 3 van Boek 1 Rv niet van toepassing. Het verzet betreft immers een snelle en eenvoudige rechtsgang, waarin het enkel gaat om de vaststelling en invordering van het verschuldigde griffierecht. In zoverre wordt teruggekomen van hetgeen is beslist in HR 18 maart 2005, LJN AR8211, NJ 2006/431. Dit brengt mee dat voor het verzoekschrift waarbij op de voet van de hiervoor genoemde bepalingen verzet wordt ingesteld, niet het vereiste geldt dat het door een advocaat wordt ingediend.
Aan de ontvankelijkheid van opposant in zijn verzet in deze zaken staat dan ook niet in de weg dat het door hem ingediende verzoekschrift aanvankelijk niet was ondertekend door een advocaat.
3. Beoordeling van het verzet
3.1 Als algemene grond voor het verzet voert opposant aan dat ten onrechte niet op zijn verzoek overleg met hem is gepleegd over de nota's waarop het dwangbevel ziet.
Dit bezwaar is ongegrond om de reden vermeld onder 6 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3.2.1 Met betrekking tot de nota met nummer 92660.34961 voert opposant aan dat deze hem onbekend is en dat niet is gereageerd op verzoeken om nadere informatie. Opposant is echter in een betalingsherinnering op de hoogte gesteld van de bijzonderheden van deze nota, zodat dit bezwaar zonder grond is.
3.2.2 Voor zover het bezwaar van opposant met betrekking tot genoemde nota daarop ziet dat zijn cliënt in de desbetreffende zaak niet-ontvankelijk is verklaard in zijn cassatieberoep wegens de niet-tijdige betaling van het griffierecht, geldt dat een niet-ontvankelijkverklaring op deze grond niet meebrengt dat een eiser of verzoeker tot cassatie het op grond van de wet verschuldigde griffierecht niet behoeft te voldoen. Het griffierecht is immers op grond van art. 2 lid 1 Wtbz Pro en art. 3 leden Pro 1 en 2 Wgbz verschuldigd vanaf de eerste roldatum of vanaf de eerste zitting dan wel met de indiening van een verzoekschrift. De niet-ontvankelijkheid van de vordering of het verzoek brengt geen verandering in die verschuldigdheid, ook niet indien deze berust op de te late betaling van het griffierecht.
3.3 Op de grond vermeld onder 11 van de conclusie van de Advocaat-Generaal is het bezwaar van opposant met betrekking tot nota nr. 92650.44560 ongegrond. Op de grond vermeld onder 13 van die conclusie geldt hetzelfde voor het bezwaar van opposant met betrekking tot de nota's nrs. 92660.20199, 92660.33599 en 92665.02370.
Het bezwaar van opposant met betrekking tot nota nr. 92660.40730 is ongegrond op de grond vermeld onder 15 van die conclusie.
3.4 Het verzet met betrekking tot nota nr. 92660.49430 is gegrond. In HR 8 juli 2011, LJN BQ3883, NJ 2012/169 is beslist dat art. 4 lid Pro 2, aanhef en onder i, Wgbz zo moet worden uitgelegd dat niet alleen in eerste aanleg, maar ook in hoger beroep en cassatie geen griffierecht verschuldigd is door personen wier verzoek is gericht op toepassing van de schuldsaneringsregeling. Dezelfde uitleg is op zijn plaats met betrekking tot art. 15 lid 1 Wtbz Pro, nu art. 4 lid 2 Wgbz Pro daaruit is overgenomen. In de zaak waarop de nota betrekking heeft, is derhalve geen griffierecht verschuldigd door de partij voor wie opposant optrad.
3.5 Ook met betrekking tot nota nr. 92660.54230 is het verzet gegrond. In HR 11 november 2011, LJN BU4020, NJ 2012/186 is beslist dat art. 4 lid Pro 2, aanhef en onder i, Wgbz zo moet worden uitgelegd dat ook geen griffierecht verschuldigd is in een geval waarin de persoon op wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, in hoger beroep of in cassatie opkomt tegen een beslissing van de rechter tot beëindiging van de toepassing van de schuldsanering. Dezelfde uitleg is op zijn plaats met betrekking tot een persoon die in privé failliet is verklaard. Ook in dat geval gaat het immers om een persoon die gelet op zijn schuldenlast minder financiële draagkracht heeft dan bijstandsgerechtigden, en derhalve over onvoldoende financiële draagkracht beschikt om in hoger beroep en in cassatie het verschuldigde griffierecht te betalen. Ook in de zaak waarop deze nota betrekking heeft, is derhalve geen griffierecht verschuldigd door de partij voor wie opposant optrad.
3.6 Het voorgaande brengt mee dat de in het dwangbevel vermelde hoofdsom van € 28.345,75 dient te worden verminderd met een bedrag van € 580,-- (tweemaal een bedrag van € 290,--).
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het verzet gegrond voor wat betreft de nota's nrs. 92660.49430 en 92660.54230.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, M.A. Loth en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 2 november 2012.