ECLI:NL:HR:2011:BP5536
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- M.W.C. Feteris
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid heffingsrente bij definitieve aanslag na streeftermijn
Belanghebbende kreeg voor het jaar 2005 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, waarbij ook heffingsrente werd berekend. Na bezwaar en beroep bij de Rechtbank en het Hof werd de heffingsrente verminderd, maar niet tot het door belanghebbende gevorderde bedrag. De kern van het geschil betrof de vraag of de definitieve aanslag binnen één jaar na afloop van het belastingjaar had moeten worden opgelegd, waardoor minder heffingsrente verschuldigd zou zijn.
De Hoge Raad overwoog dat de definitieve aanslag weliswaar binnen de wettelijke termijn was opgelegd, maar dat het zorgvuldigheidsbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel niet verhinderen dat heffingsrente wordt berekend over correcties van onjuiste aangiften, ook als deze na de streeftermijn van één jaar worden vastgesteld. De inspecteur heeft immers een uitgebreidere zorgvuldigheidsplicht bij het opleggen van de definitieve aanslag dan bij voorlopige aanslagen.
De Hoge Raad benadrukte dat de streeftermijn van één jaar slechts een richtlijn is en dat de inspecteur vrijheden heeft bij het onderzoeken van de juistheid van de aangifte. Het opleggen van heffingsrente is een wettelijke compensatie voor de renteschade die de fiscus lijdt doordat de belastingplichtige de schuld niet eerder voldoet.
Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten aan de zijde van belanghebbende toegewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de heffingsrente bij de definitieve aanslag.