ECLI:NL:PHR:2011:BP0438
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opnieuw horen van getuigen bij gewijzigde samenstelling hof
In deze strafzaak heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage verdachte veroordeeld wegens medeplegen van een overtreding van de Opiumwet. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, waarbij onder meer werd geklaagd over de afwijzing van verzoeken tot het opnieuw horen van getuigen na wijziging van de samenstelling van het hof.
De Hoge Raad oordeelt dat op grond van artikel 322, vierde lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) beslissingen van het hof over het horen van getuigen in stand blijven bij hervatting van het onderzoek met een gewijzigde samenstelling. Het hof is dus niet verplicht reeds gehoorde getuigen opnieuw te horen, tenzij het noodzakelijk wordt geacht. Het verzoek van de verdediging om twee getuigen opnieuw te horen werd door het hof terecht afgewezen omdat het hof al beschikte over de eerdere verklaringen en het horen niet noodzakelijk was.
Verder is geoordeeld dat het voortzetten van de behandeling buiten aanwezigheid van verdachte en zijn raadsman, na hun vrijwillige vertrek, geen aanleiding geeft tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid. Ook werd bevestigd dat het hof niet verplicht is te beslissen op verweren die niet uitdrukkelijk op de terechtzitting zijn aangevoerd. De klachten over het niet toestaan van aanvullend onderzoek en het horen van deskundigen werden eveneens verworpen.
De Hoge Raad verklaart verdachte niet-ontvankelijk voor het beroep tegen beslissingen van het hof op een eerdere terechtzitting en verwerpt het cassatieberoep voor het overige. De uitspraak bevestigt de beperkte reikwijdte van artikel 322, vierde lid, Sv en de beoordelingsmarge van het hof bij het horen van getuigen na wijziging van samenstelling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard voor beroep tegen eerdere beslissingen.